De Weltermolen

Een van de mooiste watermolens van Nederland is de Weltermolen. Het langgerekte gebouw werd al in 1381 genoemd als zijnde de molen behorende tot het “Huis Strijthagen tot Welten”. Het Huis Strijthagen ligt een klein stukje verder.

De molen was in die tijd een zogenaamde banmolen, dat wil zeggen dat de leenplichtige boeren verplicht waren hun granen in deze molen te laten malen.

Het “maalwater” was afkomstig van de Geleenbeek die twee “vergaarvijvers” voedde. Plaatselijk heette de Geleenbeek in die tijd de Welterbeek of molenbeek. 

Het beschikbaren water bij deze middenslagmolen werd niet optimaal gebruikt Er ging tijdens het malen veel water verloren. Tijdens droge zomers kon het voorkomen dat het waterpeil zo laag kwam te staan dat er niet gemalen kon worden en dat de boeren moesten uitwijken naar een andere molen.

Eén van de vijvers is in 1916 gedempt en de loop van de beek werd gewijzigd waardoor de overgebleven Weltervijver minder water kreeg. Het duurde een week om het water in de vijver weer op peil te krijgen na één “maaldag”. In 1925 is de molenaar gebruik gaan maken van een elektromotor om de molen aan te drijven.

De molen en het naastgelegen woonhuis hebben een bijzonder mooi mansarde dak van leien, daarnaast liggen ook nog twee schuren. De toren is opgebouwd uit mergel en baksteen, heeft drie verdiepingen en is uit de 17e eeuw. Boven op de toren staat een windvaan in de vorm van een karper. Het waterrad uit 1898 is van gietijzer en heeft een diameter van 5,40 meter en is 1,30 meter breed.

Toren met de windvaan.

Na de tweede wereldoorlog is de molen in verval geraakt. In 1976 hebben de 8 eigenaren (broers en zussen die het hadden georven) de molen, het huis en de schuren, de boomgaard, de vijver en het weiland verkocht aan de gemeente Heerlen. De gemeente heeft het complex laten restaureren en al tijdens de restauratie verkocht.

Op 2 september 1982 is, door de burgemeester van Heerlen, een van de  mooiste watermolens van Nederland weer officieel in gebruik gesteld.

Van kasteel tot eengezinswoning

Op Heerlerheide stond in de 12e eeuw het ridderkasteel Ter Weyer. Het kasteel had veel vijvers, landerijen, een watermolen, een brouwerij en een kapel met waarschijnlijk een eigen kerkhof. Het kasteel had twee hoektorens en een slotgracht en was gebouwd van zandsteen. Bij Ter Weyer hoorden ook een aantal pachthoeven. 

Helaas werd het kasteel grotendeels afgebroken; de molen en brouwerij verdwenen helemaal en de slotgracht werd gedempt.

Met als basis drie resterende muren van het kasteel is huis “Ter Weijer” gebouwd, dat als een hoeve dienst deed. De hoeve werd in 1956 afgebroken om plaats te maken voor woningbouw. 

De Wieër werd in 1968 gebouwd (gereedgekomen), het bestaat uit 276 eengezinswoningen en dankt haar naam aan hoeve Ter Weijer, dat “ter plaatse van de vijvers” betekent. De hoeve lag op de plek waar nu de Marco Polostraat is, een zijstraat van de Terweijerweg.

De kleine Sint Jan

De kleine Sint Janskerk aan de markt in Hoensbroek stamt waarschijnlijk uit 1137 maar zoals zo vaak met gebouwen uit die tijd staat dat niet onomstotelijk vast. Een eerste aanbouw van het schip zou al in het jaar 1150 zijn uitgevoerd, de toren is van rond 1300 en het priesterkoor is tussen 1300 en 1520 gebouwd. Er is dus genoeg ruimte voor allerlei theorieën met een dergelijke daterings marges.

Er is o.a. een theorie die zegt dat het kerkje pas is gebouwd nadat Hoensbroek zich had afgescheiden van Heerlen in 1390 en daarmee een ouder kerkje dat op diezelfde plek stond heeft vervangen.

In 1630 werd in het kerkje een sacristie gebouwd maar waar is niet bekend. In 1680 werd het priesterkoor verhoogd en in 1725 werd er tegen de kerk aan een nieuwe sacristie gebouwd van bakstenen. De kerk zelf is gebouwd van mergel.

In de toren hangen twee klokken. De grote klok heeft een diameter van 99 centimeter en is gemaakt in het jaar 1414 en de kleine klok van 78 centimeter dateert uit 1840.

De kleine “St. Janskerk”, was eerste parochiekerk van Hoensbroek en is gewijd aan de H. Johannes de Doper. Om het kerkje staan eeuwenoude grafstenen en een aantal gietijzeren grafkruisen.

In 1900 werd de toren en in 1909-1910 de rest van het kerkje gerestaureerd. De kleine Sint Jan is sinds februari 1967 een Rijksmonument.

Ondanks de twijfels en een flinke verzameling aan jaartallen staat een ding als een paal boven water: de kleine Sint Janskerk aan de markt in Hoensbroek is een schitterende kerk die u zeker eens  van binnen moet bekijken als de gelegenheid zich voordoet.

Villa Coriovallum

Een bijzondere villa met een bijzonder verhaal en een bijzondere bewoner. Villa Widdershoven zoals deze villa oorspronkelijk heette ligt op de hoek van de Valkenburgerweg en de Kruisstraat, op een heuveltje. De bewoners waren dokter Widdershoven, zijn vrouw en hun 14 kinderen.

Voor aanzicht

August Widdershoven werd in 1885 in Heerlen geboren. Na de lagere school ging hij naar de HBS om vervolgens geneeskunde te studeren aan de universiteit in Amsterdam. In 1913,  enkele weken na zijn afstuderen, opende hij in Heerlen een praktijk als huisarts.

Om snellere zorg te verlenen bij met name verkeersongelukken richtte hij de EHBO Heerlen op. Hij was kapitein en later majoor bij het Rode Kruis, waar hij  een transportcolonne oprichtte die tijdens de eerste wereldoorlog ingezet werd voor het transport van gewonde van België naar Nederland. Hij zorgde voor een noodziekenhuis bij de griepepidemie na de eerste wereldoorlog. Ook was hij  de leider van de schoolartsendienst. In de vroedvrouwenschool aan de Akerstraat was hij de assistent van dokter Clemens Meuleman en  verving hem bij afwezigheid. Maar z’n hoofdbezigheid was zijn drukke  huisartsenpraktijk. 

Een mens moet ook hobby’s hebben, zo ook August Widdershoven. Hij deed graag kegel en zwemmen. Bij de Heerlense Kegel Bond (HKB) was hij voorzitter, en in 1921 medeoprichter van een Zwemvereniging Oranje Nassau  en stichter van het Sportfondsenbad in Heerlen dat hij in 1935 opende door er als eerste in te duiken. Zijn grootste bekendheid verwierf hij als krachtpatser (een deck speelkaarten doormidden scheuren of een hoefijzer doormidden breken) Klik op de link voor bewegend bewijsmateriaal.

Toen men in 1921 startte met de bouw van de villa, naar een ontwerp van architect Jacobus Rijns, kwamen er erg veel Romeinse resten boven de grond, daar moest onderzoek naar gedaan worden wat de bouw vertraagde. Een van de vondsten was een Romeinse olielamp, deze lamp is in een gevel voorstelling afgebeeld. De staf van hypocrates (esculaap) verwijst naar het beroep van Widdershoven. Er is ook nog een slang afgebeeld die in zijn eigen staart bijt (symbolisch voor tegenstellingen).

Romeinse Olielamp
Staf van Hypocrates
Slang

Het gebouw op zich valt op door het fraaie torentje, het bijzondere leiendak, de asymmetrische indeling van de voorgevel, het prachtige uitgevoerde en zeer decoratieve metselwerk. De entree is een kunstwerk op zich evenals de glas in lood ramen. Het was niet een huisje dat je zomaar even bouwt het heeft dan ook tot 1925 geduurd voordat het gezin Widdershoven intrek kon nemen in de villa.

Prachtig metselwerk
Achterzijde

Vanwege de Romeinse vondsten tijdens de bouw heeft de gemeentelijke oudheidkundige dienst in 1968 sleuven gegraven voor verder onderzoek, daarbij kwamen 120 Romeinse voorwerpen aan het licht en een deel van een muur uit de derde eeuw. Het blijkt dat het huis voor een deel is gebouwd op de plek waar vroeger een Romeinse weg was.

Dokter August Widdershoven is in 1955 overleden. Nadat de kinderen uit huis waren is de villa verkocht en gebruikt als kantoorpand onder de naam Villa Coriovallum. Nu zijn er 13 appartementen gevestigd in deze bijzondere villa met zijn bijzondere verhaal.

Oliemolen

 Vanwege een schrijffout en/of vervalsingen van documenten is het niet duidelijk of de Oliemolen uit 1502 of 1562 dateert of misschien nog ouder is. Laten we daarom zeggen dat de molen uit de zestiende eeuw stamt. 

Diverse namen voor deze molen komen voorbij zoals: “Oalichs mühle” en “In den Krouwel” maar ook “Creuwels oleij meulen”, toch is deze molen van oorsprong een volmolen voor het vollen van wol (bij het vollen van wol haken de wolvezels in elkaar en ontstaat er vilt waar men kleding mee kan maken).

Eind 16e eeuw werd pas begonnen met het persen van oliehoudende zaden voor de productie van lijnolie – lampenolie – smeerolie, van de restanten werden lijnkoeken (veevoer) gemaakt. Aan deze olieproductie dankt de molen zijn naam. 

Vanaf 1829 wordt er ook graan gemalen en in 1850 kwam er een looimolen bij; vanaf 1905 werd er alleen nog maar graan en koren gemalen.

De gebouwen van witgeverfde kalksteen, bestonden uit een bakhuis (bakkes), een koeienstal, een varkensstal, een bijkeuken, een woonhuis en natuurlijk een molen.Het molenhuis is als vakwerk uitgevoerd met een onderbouw van mergel. De mest lag op de binnenplaats (mesthof) en de kippen sliepen op zolder boven de koeienstal. Alle toegangsdeuren van huis en stallen kwamen uit op het binnenplein, de ramen aan de buitenzijde waren voorzien van tralies of vergrendelbare luiken. Dus als de inrijpoort dicht was en de hond los, was men veilig voor schelmen.

In april 1928 werd door brand  de koeienstal, bijkeuken en schuur vernield. De schuur werd vervangen door een woonhuis en van de twee poorten bleef er maar één over.

De bovenslagmolen met houten waterrad is gelegen aan de rand van het Aambos en wordt gevoed door de Caumerbeek. 

Om overstromen van de stuwvijver te voorkomen moest bij dreigend noodweer het erk open gezet worden zodat het water via de oorspronkelijke beek kon stromen. 

Omdat in 1930 de steenkolenmijn Wilhelmina het mijnwater niet meer loosde op de Caumerbeek en er bij de bron van de beek water werd onttrokken voor de drinkwatervoorziening  was het noodzakelijk om een elektromotor te installeren waardoor de dagproductie meel naar 10.000 Kg steeg.

Anno 2020 wordt er in de molen nog steeds graan gemalen en je kunt er overnachten in een van de drie vakantieverblijven. Boven de poort staat  nog steeds Oliemolen en dat zal waarschijnlijk ook altijd de naam blijven.

Het wapen van Heerlen

In  het gebied van Valkenburg  waren vier hoofdschepenbanken waarvan Heerlen er één was. Bij de schepenbank hoorde een schependomszegel.

Op het schependomszegel uit 1364 staat de heilige Pancratius afgebeeld met voor zich een schild met staande leeuw. 

In 1867 werd deze afbeelding het officiële wapen van Heerlen. Het bestaat uit een gouden veld, met daarop in huidskleur de heilige Pancratius. Deze is in het blauw gekleed met zilveren borduursels. Om zijn hoofd een gouden aureool. De heilige houdt in zijn rechterhand een zwaard en met zijn linkerhand houdt hij een zilveren schild vast. Op het zilveren schild is een zwarte van goud gekroonde, getongde en geklauwde leeuw met een dubbele staart.

Van Rooy die van 1962 tot 1964 burgemeester van Heerlen was vond dat de geschiedenis beter tot uitdrukking gebracht moest worden en stelde een nieuw stadswapen voor dat in 1964 in gebruik werd genomen.

Het tweede wapenschild is met een blauw kruis in vier delen gedeeld en gedekt met een gouden Markiezenkroon met twee parels

  • Links boven: met rode achtergrond een staande naar rechts gewende adelaar. Deze heeft de vleugels uitgeslagen en is goud van kleur. De adelaar staat op een zilveren legerveldstandaard.  CORIO staat voor de naam Coriovallum, de Latijnse naam van Heerlen.
  • Rechts boven: met gouden achtergrond de heilige Pancratius. Afgebeeld in een witte Romeinse toga. De randen zijn van purper, met een gouden bulla aan een gouden keten.Voor zijn borst houdt hij een,  zilveren zwaard met een gouden vest.
  • Links onder: met zilveren achtergrond met daarop een rode dubbelstaartige leeuw met kroon, tong en nagels van goud.
  • Rechts onder: Op een rood achtergrond staat het mijnwerkersembleem: een kruiste hamer en kolenhak van goud.

In 1982 fuseerden Heerlen met Hoensbroek en werd er een nieuw wapen aangevraagd. De heiligen Johannes de Evangelist en Pancratius werden niet meer afgebeeld op het nieuwe wapen. De rode en de zwarte leeuwen werden samengevoegd tot één rood – zwarte leeuw met een half zilverkleurige en half zilver – rood gestreepte achtergrond. De markiezenkroon met parels dekt het schild.

Wie was Sint Pancratius?

Eind 12e eeuw werd Heerlen door Dirk van Are, aartsdiaken van het prinsbisdom Luik, kerkelijk losgemaakt van de Sint-Laurentiuskerk in Voerendaal en werd de Sint-Pancratiusparochie opgericht. 


Pancratius (Phrygië, Turkije, 289 na Chr. – Rome, 12 mei 304 na Chr.) In een poging om het christendom uit te roeien eisten Romeinse keizers dat iedereen een offer moest brengen aan de Romeinse goden.

De 14 jarige Pancratius weigerde en werd ter dood veroordeeld.Op het graf van Pancratius werd dik 100 jaar later door Paus Symmachus een kerk gebouwd, de Sint Pancratiusbasiliek. Pancratius werd bijzonder vereerd in het middeleeuwse Europa en een gelofte afgelegd in de Pancratiusbasiliek gold als bijzonder heilig. Pancratius is een van de vier ijsheiligen (12 mei).

Van Nor tot nieuwe nieuwe Nor

Een groep van Nederlandse studenten die studeren aan de universiteit van Aken kregen het voormalige politiebureau aan de Geerstraat 87 in bruikleen van de  gemeente om er hun sociëteit te vestigen. Ze noemden het heel toepasselijk de Nor. Kort na de opening in april 1969 ontstond er een verschil van mening over de functie van de Nor. De een wilde een besloten studentenclub, en de ander widel een Nor met een open karakter en met onder andere een open podium. 

Toen het pand afgebroken moest worden verhuisde de Nor in 1977  naar het pand van de Volkskredietbank een eindje verderop in de Geerstraat, op nummer 64  en werd het Stichting Cultureel Café De Nor.

Na een rechterlijke uitspraak betreffende de huuropzegging door de gemeente moest de Nor op 1 juli 1994 ook dit pand verlaten en kwam de Nor op straat te staan. De creatieve groep organiseert “de Nor op straat” festival. 

Er kwam een einde aan de dakloze periode in 1998 toen de Nor zich vestigde in het pand van ijzerhandel Schmitz aan de Pancratiusstraat.  Vanwege een te beperkt budget konden, met hulp van vrijwilligers, alleen de hoogst nodige aanpassingen gedaan worden aan het pand. Toen na anderhalf jaar het naastgelegen pand bewoond werd kwamen er klachten van geluidsoverlast. De Nor moest zijn activiteiten beperken waardoor de omzet drastisch terugliep. Ter compensatie begon men een eetcafé dat aanvankelijk goed liep maar geleidelijk aan toch minder gasten kreeg. 

Toen de gemeente aangaf te willen investeren in een poppodium achter de bestaande Nor was er weer hoop. Ondanks dat zijn veel vrijwilligers gestopt, omdat ze het niet meer zagen zitten.  Er kwam een doorstart met een vernieuwde organisatie en een nieuwe zaal die eind 2006 werd geopend. Er werd een nieuwe weg werd ingeslagen. De Nor kreeg een nieuwe naam: “Poppodium Nieuwe Nor”.

De samenwerking in Heerlen, anno 2020 tussen met name het Parkstad Limburg Theater, het Cultuurhuis, Schunck, de Oefenbunker en poppodium Nieuwe Nor maakt dat Heerlen een breed en gevarieerd programma aanbod heeft met voor ieder wat wils. Het gaat zo goed dat er behoefte is aan meer capaciteit.  Daarom zal er in april 2020 gestart worden met de bouw van de “nieuwe Nieuwe Nor” (of de “Nieuwste Nor”?). Een zaal voor 650 bezoekers die aan alle moderne eisen voldoet.

De Nor heeft veel strijd moeten leveren om overeind te blijven, maar dat is tot nog toe altijd gelukt. Al meer dan 50 jaar een begrip in Heerlen en ver daarbuiten.

Bron: Heerlen Vertelt

De kleine zusters van de heilige Joseph

Het Savelbergklooster genoemd naar Joseph Savelberg (Heerlen 1827 – Heerlen 1907) die dit pand in 1870 betrok samen met 7 religieus ingestelde vrouwen. Op 21 juni 1872 werden de eerste zes novicen (Iemand die voor het intreden in het klooster een proeftijd doormaakt)  ingekleed. Daarmee was de congregatie van “De Kleine Zusters van de Heilige Joseph” een feit. 

De leus van de congregatie was “Helpen waar niemand helpt”. Zo werd er hulp geboden aan wezen, ouderen, gehandicapten en krankzinnigen aan de onderzijde van de samenleving. 

In 1875 werd het pand aan de Gasthuisstraat 2, door de congregatie gekocht en in 1878-79 werd er naast het pand een kapel gebouwd.

De orde groeide erg snel en rond 1915 toen er al 400 zusters actief waren werd er een nieuw moederhuis gebouwd aan de Gasthuisstraat. Maar de groei ging door, in 1947 waren er 1800 zusters actief in 80 instellingen. De zusters werkten in ziekenhuizen, weeshuizen, verpleeghuizen en kinderherstellingsoorden, het onderwijs en het huishouden in Nederland en België maar ook in Afrika en Azië. De congregatie had toen 21 kloosters en was de op één na grootste orde van Nederland. 

In 2008 verlieten de zusters het Savelbergklooster voorgoed en werd het gebouw gerestaureerd door architectenbureau Coenen. Sinds april 2010 is het voormalige klooster een museum waar o.a. de originele kamer van de stichter Joseph Savelberg te bezoeken is. Nog 240 zusters over (2010) het worden er ieder jaar minder.

Om een uitgebreid idee te krijgen van het geweldige werk van de kleine zusters van de heilige Joseph kunt u door op de onderstaande link te klikken een film bekijken die gemaakt is door Hub Leufkens. 

Pand Kneepkens

Sinds mei 2022 is het Nederlands Mijnmuseum op twee locaties in de stad te bezoeken, in het schachtgebouw waar het in november 2005 het daglicht zag en in het pand Kneepkens aan de Dr. Poelsstraat 23.

De familie Kneepkens liet in 1915 een winkel met bovenwoning bouwen aan de Akerstraat 22, naar een ontwerp van architect Jan Stuyt. De winkel van Kneepkens was gespecialiseerd in kleding en woninginrichting, bovendien had “magazijn De Zon” zoals het toen heette, een eigen stoffeerderij. Kort na de opening van de winkel was er al behoefte aan meer ruimte. De belendende panden werden na verloop van tijd aangekocht en in gebruik genomen.

Firma Kneepkens wilde doorgroeien en net als de concurrent Schunck wilden ook zij een modern en ruim warenhuis. Niet meer de ouderwetse winkel waarin men werd geholpen door iemand achter de toonbank, maar een ruime en lichte winkel, waarin de klant kon rondlopen tussen de handelswaar.

Zo kwam het dat architect Frits Peutz in 1939 de opdracht kreeg een winkelhuis te ontwerpen aan de verlengde Saroleastraat (nu Dr. Poelsstraat).

Kneepkens liftte mee op de stadsontwikkelingen omtrent de nieuwbouw van de HEMA. Beide panden zijn gelijktijdig en door dezelfde aannemer gebouwd.

Peutz ontwierp een gebouw met kelder en drie verdiepingen met glasgevel met daarop nog een vierde verdieping, net als bij warenhuis Schunck. Ook bestond de draagconstructie uit paddestoelvormige kolommen. Men noemde dit pand ook wel het “Kleine Glaspaleis”. De achterzijde van het pand was verbonden met de achterzijde van de winkel aan de Akerstraat, hierdoor ontstond één grote winkel met twee voorgevels, de afstand tussen de twee gevels was maar liefst 75 meter.

Op donderdag 11 april 1940 werd het nieuwe pand van firma Kneepkens feestelijk geopend en in gebruik genomen. De zaken gingen bijzonder goed maar als begin jaren zestig geruchten de ronde doen dat het slecht gaat met de kolenindustrie, en er bovendien een boulevard aangelegd gaat worden waar zich veel concurrentie zal gaan vestigen, wordt het warenhuis Kneepkens in 1961verkocht aan C&A* en wordt van de twee naast elkaar gelegen panden een pand gemaakt door muren weg te breken. Het pand aan de Akerstraat wordt verhuurd.

In 1966 verhuist C&A naar het spiksplinternieuwe Shoppingcenter ‘t Loon en neemt V&D het dubbelpand over en in 1971 gaat het ABP de kachel stoken in het pand Kneepkens.

Om in verband met de mijnsluiting werkgelegenheid te creëren wordt een onderdeel van het ministerie van Binnenlandse zaken in Heerlen geplaatst. Het Computer Centrum Limburg (CCL) wordt gevestigd in het dubbelpand. In 1986 verandert de naam van deze Rijksdienst in RCC en wappert er een ander vlag op het dak.

Begin jaren negentig maken, een softwarebedrijf, een lederwinkel, een reisbureau en een uitzendbureau gebruik van de panden. In het midden van de jaren negentig komt het pand leeg te staan en raakt het in verval, ondanks dat krijgt het in 1999 de status van Rijksmonument.

Als in 2006 op de plek naast het pand Kneepkens nieuwbouw** wordt gepleegd, wordt de buitenkant van “Kneepkens” ook in de basis opgeknapt (2007)

Van 2010 tot maart 2020 gebruikt de Heerlense kunstenaar Theo Lenartz het gebouw als atelier en expositieruimte, om vervolgens plaats te maken voor HET Nederlands Mijnmuseum dat na een grote renovatie in het pand Kneepkens in vier verdiepingen het verhaal vertelt van de Limburgse mijnen.

  1. Zwart: Ondergrondse mijnbouwactiviteiten.
  2. Goud: De bovengrondse rijkdom en welvaart die de mijnbouw bracht.
  3. Grauw: De negatieve kanten van de mijnbouw.
  4. Kleur: De noodzakelijke omschakeling na de mijnsluitingen.

Glück Auf!

* Eind 1949 verkoopt de gemeente de grond naast het pand kneepkens aan C&A die daar een nieuwe vestiging gaat bouwen.

** 41 appartementen met onderliggende commerciële ruimten en parkeergarage, de kelder van pand Kneepkens wordt  bij het nieuwe pand gevoegd.