Maria Christinawijk

Heerlerheide – Heksenberg – Maria Christinawijk.

De Maria Christinawijk maakt deel uit van de in 1920 gebouwde mijnkolonie Heksenberg en is een rijksbeschermd stadsgezicht.

In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog dus, startte de Duitse bezetter met de bouw van de wijk. Ondanks  de bouwstop in 1942 kon toch langzaam doorgebouwd worden maar de wijk werd pas na de oorlog voltooid.

Heerenweg 1945

De Duitse architecten Gonser en Oechler hebben de woningen ontworpen volgens de Duitse woningwet, het zogenaamde Fürererlass, en de Stuttgarter schule maar met 17e eeuwse Hollandse stijlelementen. De woningen waren bedoeld voor Duitse beambten en ander personeel dat de exploitatie van de Nederlandse kolenmijnen had overgenomen en werd daarom ook wel de Hermann Göringkolonie genoemd. Hermann Göring was rijksmaarschalk van het Derde Rijk die zich o.a. in Nederland bezighield met het organiseren van voorzieningen voor de Duitse oorlogsindustrie.

Vrijheerenberg 2021

Oorspronkelijke waren er twee woonwijken ontworpen met daartussen een plein met een monumentaal partijgebouw. Het plein met partijgebouw en de westelijke wijk zijn nooit gerealiseerd. Alleen de zuidelijke woonwijk met 240 geschakelde woningen is gebouwd.

Tweelaagse woningen met een kleine woonkamer en een grote keuken, een afwijkende plafondhoogte, een steile trap, een “bomvrij” kelderdeel en een hele hoge zolderverdieping. Hoekpanden met klokgevels en een poortgebouw met trapgevels.

In 1947 toen de wijk uiteindelijk gereed kwam en de Staatsmijnen eigenaar waren geworden van de woningen is de wijk officieel omgedoopt tot Maria Christinawijk, later werd het beheer door de Stichting Thuis Best overgenomen, dat weer later opging in AZL beheer.

De “Herman Göring” kolonie is de enige wijk in Nederland die door de Duitse bezetter is gebouwd.

Beersdal

De wijk Beersdal wordt begrensd door een weg uit de Romeinse tijd die we nu de Schelsberg noemen en door de Caumerbeek. De wijk maakt deel uit van het stadsdeel Heerlerheide en lag op loopafstand van de Oranje Nassau mijn 1. De mijnwerkers- / arbeiderskolonie Beersdal is gebouwd tussen 1910 en 1913, enkele huizen zijn in 1918 gebouwd. 

Architect Jan Lugten (1866 – 1947), die afkomstig was uit Vianen, was van 1907 tot 1921 werkzaam op de bouwafdeling van de Oranje Nassau Mijnen. Omdat sinds 1908 de uit Lotharingen (Frankrijk) afkomstige familie. De Wendel eigenaar was van de Oranje Nassau mijnen, ontwierp hij onder andere deze zogenaamde Lotharingse woningen.

Een groot rechthoekig plein vormt het midden van de wijk. Dat plein bestond uit twee delen: een moestuin waar de kinderen uit de wijk konden leren hoe ze groenten en fruit moesten verbouwen en een veld dat gebruikt werd als voetbalveld en voor weidefeesten. Het stratenplan bestaat uit drie hoofdwegen van zes meter breed met links en rechts een trottoir en dwars daarop een aantal straten van drie meter zonder trottoirs. Met de bouw van de ON III (1917) werd er ook een spoorlijn aangelegde tussen de ON I en de ON III dat langs Beersdal liep. Bij de wijkuitbreiding in 1918 werden er woningen gebouwd aan de andere zijde van de spoorlijn waardoor het spoor dwars door de wijk liep.

De wijk bestaat uit 48 “twee onder een kap” woningen (type F), die door opzichters van de ON I mijn bewoond werden en uit 44 “vier onder een kap” woningen (type G) voor de arbeiders van de ON I mijn. 

De 272 woningen zijn te herkennen aan een gepleisterde gevel met een omlijsting van metselwerk. Op het rode pannendak zijn met blauwe pannen Lotharingse patronen aangebracht. 

De woningen zijn gebouwd naar het tuinstad idee. Het tuinstad idee is ontstaan naar aanleiding van de Engelse industriële revolutie, halverwege de 19e eeuw. Omdat mensen, door gebrek aan (goede) huisvesting, veel te dicht op elkaar woonden in donker, vochtige woningen, ontstonden er ziektes en zelfs epidemieën. Om deze onwenselijke situatie tegen te gaan werden er wijken gebouwd met veel groen, lage eengezinswoningen met een grote tuin, waar men  groente kon verbouwen. Bovendien was er  een kruidenierswinkel voor de eerste levensbehoeften.

Toen de woningen particulier bezit werden, hebben de bewoners ze aangepast naar hun persoonlijke wensen. Daardoor is het originele karakter soms verloren gegaan.

Sinds 2008 is deze ruim opgezette en groene wijk een beschermd stadsgezicht.

Naamgeving

Hoeve Beersdal lag net als Vrank en Hueske in de Koningsbeemd, een Schinnenerleen

De straten in Beersdal zijn genoemd naar Nederlandse rivieren. Scheldestraat, Wormstraat, Schiestraat, Swalmstraat, Niersstraat, Geulstraat, Roerstraat, Maasstraat, Hunzestraat, Diezestraat, Lekstraat, Dinkelstraat, Rijnstraat, Dommelstraat, Vechtstraat, Amstelstraat, Jekerstraat, Lingestraat, Ijsselstraat, Merwedestraat, Waalstraat, Gouwestraat, Eemstraat, Reggestraat, Schipbeekstraat.

Voor de namen Beersdalplein en Rennemigerveldweg zijn voordehandliggende verklaringen te geven.

De “Van der Scheurstraat” is genoemd naar de in 1926 in Heerlen geboren vakbondsman Jaap van der Scheur. 

De “Schout van Heeckerenring” is genoemd naar Baron J.D. van Heeckeren tot Rooderloo die van 1762 tot 1779 schout was te Heerlen. De schout, verantwoordelijk voor de openbare orde, was voorzitter van de schepenbank, een functie met hoog aanzien.

De naam Koningsbeemd is afkomstig van “Hof Koningsbeemd”, een vierkantshoeve uit de 14e eeuw, die later Wijngaardshof werd genoemd  en in 1999 is afgebroken.

Over de herkomst van Huisbergerstraat is niets bekend, misschien dat het van oudsher de straat is waar het huis van familie Berger heeft gestaan.

D’r Penning

Het eerste wat een mijnwerker moest doen als hij het mijnterrein opging was bij de portier zijn penning ophalen. Op de penning stond zijn persoonlijk nummer. Daarna ging hij zich omkleden om vervolgens bij de schacht die penning weer in te leveren voordat hij ondergronds ging.

Penningen in vele soorten.

Aan het einde van de sjiech kreeg hij bovengronds zijn penning terug en kon hij gaan douchen en omkleden. Bij het verlaten van het mijnterrein werd de penning weer bij de portier ingeleverd. Als er penningen op het bord bleven hangen aan het einde van de sjiech betekende dat dat er nog mensen beneden waren, dan werd direct actie ondernomen om na te gaan wat de reden daarvan was. Als er penningen op het bord bij de portier bleven hangen betekende het dat er iemand niet was komen opdagen (boemelsjiech? (= snipperdag)).

Er waren vele soorten penningen. De dag-, middag- en nachsjiech hadden ieder hun eigen vorm. Die vorm kon van mijn tot mijn verschillen.  De nummers boven de 7000 waren bij de Staatsmijn Emma voor de bovengronders. De bovengronders hielden de penning de hele dag bij zich en leverde die net als de anderen bij het verlaten van het terrein in. Mensen met een bepaalde functie hadden hun eigen soort penning; de brandweer, reddingsbrigade, staatstoezicht.

In het begin waren de penningen van koper naderhand van messing en daarna van aluminium. In de oorlog werden nieuwe penningen gemaakt van ijzer omdat koper en messing schaars waren.

Lourdesgrot Mariarade

Bij het gehucht Kouvenrade (bij Hoensbroek) werd een kolonie gebouwd (architect Jan Stuyt) om mijnwerkersgezinnen van Staatsmijn Emma te huisvesten. In 1915 werd er door de orde van de Minderbroeders Conventuelen een klooster en een noodkerk (Heilig Hartkerk) gebouwd bij deze kolonie, die in de volksmond al snel de kloosterkolonie genoemd werd, in 1928 werd er ook nog  een sacramentspark aangelegd.

Omdat vrijdenkersvereniging “De Dageraad”  bij de mijn pamfletten had uitgedeeld waarin de heilige maagd Maria belasterd werd, kondigde Pater Fortunatus in januari 1929 aan dat er in het sacramentspark een lourdesgrot gebouw zou worden tot eerherstel van Maria.

Van grove natuursteen blokken bouwden de bewoners van de Kouvenrade een lourdesgrot naar het ontwerp van mijnbouwingenieur Schlösser. Korte tijd nadat de grot ingezegend was werd al de eerst gebedsverhoring gemeld. Toen dat bericht de ronde deed werd de Lourdesgrot een heus bedevaartsoord en kwamen er wekelijks honderden mensen van heinde en ver naar de grot om te bidden.

De namen Kloosterkolonie en Kouvenrade veranderden in Mariarade.

Bij het 25 jarig jubileum van de Lourdesgrot in juli 1954 werden zeven terracotta reliëfs  geschonken die de blijdschappen van Maria uitbeelden. De reliëfs van kunstenaar Eugène Quanjel waren in 1955 klaar en werden op 30 mei van dat jaar ingezegend.

In 1960/62 werd er een nieuwe Heilig Hartkerk gebouwd (architect Harry Koene) waarna de oude kerk werd afgebroken. Voor de nieuwbouw werd een groot deel van het park opgeofferd want de belangstelling voor de grot was in die jaren al veel minder dan voorheen en stopte op een gegeven moment nagenoeg helemaal. 

De nieuwe kerk staat anno 2020 al enkele jaren leeg en de Lourdesgrot wordt nog mondjesmaat bezocht door mensen uit de omgeving. Bij het feest van Maria Tenhemelopneming, op 15 augustus wordt er nog elk jaar bij de grot een mis opgedragen met aansluitend een kaarsenprocessie. Zo wordt dit stukje geschiedenis levend gehouden.

Blote voeten kerk

De “blote voeten kerk” zoals de rooms katholieke Sint Andreaskerk op Heerlerbaan (Palestinastraat 326) in de volksmond wordt genoemd, is een ontwerp van architect Laurens Bisscheroux. Het is een kleine en intieme kerk die op 13 november 1977 is ingezegend door deken Jochems. De kerk ligt gedeeltelijk onder een aarden heuvel, dat is een verwijzing naar het mijnverleden in een wijk waar veel mijnwerkers woonden, de kerk wordt ook wel eens de ondergrondse kerk genoemd. De gebouw is niet hoger dan de huizen eromheen, waarmee een zekere gelijkheid wordt gesymboliseerd.

Het meest in het oog springend zijn de grote deuren van geëmailleerd plaatstaal waarop twee voeten zijn afgebeeld, naar een ontwerp van kunstenaar Rob Takens. De deuren zijn niet alleen een verbinding tussen binnen en buiten maar symboliseren ook een verbinding tussen boven en beneden. Eén voet is naar de aarde gericht en één voet is van de aarde af gericht. De deuren gaan overigens alleen open op scharniermomenten in het leven, zoals doop, communie, huwelijk en dood.

Er zijn veel bijzondere details te ontdekken aan dit gebouw dat veel symboliek in zich draagt. Het doopvont bijvoorbeeld dat zich gedeeltelijk buiten de kerk bevindt werd oorspronkelijk gevoed door het bronwater van de Caumerbeek, dat mag toch wel heel puur genoemd worden. In het ontwerp was voor deze moderne kerk geen klokkentoren opgenomen, in 1984 is er alsnog een losstaande stalen klokkentoren toegevoegd. 

Sint Andreas was een van de twaalf  apostelen van Jezus van Nazareth en de broer van apostel Petrus. Ook Andreas stierf aan een kruis, hij wordt dan ook bijna altijd afgebeeld met dat “Andreaskruis”. Op het voorplein van de kerk (kerkplein) staat een marmeren beeld uit 1977 van Sint Andreas dat gemaakt is door de kunstenaar Funs Stadhouders (1948). De Andreaskerk is overigens niet de eerst Andreaskerk van Heerlen in de 11de eeuw stond er op de plek waar nu de Pancratiuskerk staat reeds een houten Andreaskerk.

Gashouders

Door steenkool te verhitten zonder toetreding van zuurstof werd er “lichtgas” gewonnen ook wel “stadsgas” of “steenkoolgas” genoemd. Het gas werd in het begin van de twintigste eeuw gebruikt om de straatverlichting in de stad te laten branden, vandaar ook de benamingen licht- en stadsgas. Naderhand werd het ook gebruikt voor verwarming en om op te koken.

Het gas werd opgeslagen in zogenaamde gashouders. In Meezenbroek stonden er twee van het “natte” type uit 1934 en een bolgashouder uit 1955. Aan de Spoorsingel stond ook een bolgashouder. De productie van het gas vond in onze omgeving plaats door de mijnen, in andere plaatsen in Nederland had men gasfabrieken waar de kolen verhit werd en het gas gewonnen. Door de ontdekking van de aardgasbel en de sluiting van de steenkoolmijnen werden de gashouders overbodig en gesloopt.

Er waren verschillende soorten gashouders

  • De natte gashouder
  • Telescopische gashouder
  • Schroef gashouder
  • Gashouder met beweegbaar dak
  • Bolgashouder

Geïnteresseerden worden verwezen naar het het rapport “gasproductie en gasdistributie” waarin gedetailleerder wordt ingegaan op de techniek. 

Een aantal gashouders hadden nog een functie, ze dienden als herkenningspunten voor vliegtuigen. Langs de Nederlandse luchtroutes werden de daken van de gashouders voorzien van een noordpijl en een tweeletterige plaatscode. In 1914, aan het begin van de eerste wereldoorlog zijn deze luchtvaart bakens uit voorzorg overschilderd. Na 1918 zijn ze weer aangebracht om eind dertiger jaren weer te verwijderen en zelfs in camouflage kleuren te worden overschilderd.

Hoeve de Aar

Hoeve de Aar is gebouwd in 1928 naar een ontwerp van Cornelis van der Velden die als architect in dienst was van de Staatsmijnen. De opdrachtgever en eigenaar van de te bouwen hoeve was ir. Dinger die ook bij de Staatsmijnen werkte.

In 1930 wordt de hoeve als enigste in Limburg ingericht als hoogwaardig melkveebedrijf. De melk van deze modelboerderij werd in die tijd aangeprezen als “modelmelk” en werd o.a. geleverd aan de Vroedvrouwenschool en het ziekenhuis.

De naam “De Aar” heeft de hoeve te danken aan het ontspringen van een bron bij de hoeve. De aar (oar) betekent namelijk “bron” of “waterloop”.

Begin jaren zestig had de  gemeente de grond van hoeve de Aar nodig voor de aanleg van de randweg die voor het einde van 1963 klaar moest zijn (de later stadsautobaan N281). De toenmalige eigenaar Dhr Gielkens verkocht de hoeve en de omliggende grond in 1967 voor 750.000 gulden. December 1970 werd de autosnelweg N79 van Heerlen naar Klimmen geopend.

Op 2 december 1967 vond de opening plaats van het exclusief restaurant “Hoeve de Aar” en op 21 augustus 1970 opende “Bowlingcentrum Hoeve de Aar” haar deuren. De eigenaar “beleggingsmaatschappij Welterlaan” had het bowlingcentrum verhuurd aan Bowling Nederland N.V. 

In 1980 besloot de gemeente het boerderij gedeelte dat ze in bezit hadden van Hoeve de Aar voor 600.000 gulden te verkopen aan“beleggingsmaatschappij Welterlaan” die ook al eigenaar was van het bowlingcentrum.

Het party en bowlingcentrum dat aanvankelijk goed liep maar op den duur onvoldoende geld opleverde om het onderhouden van het bowlingcentrum en hoeve te bekostigen. In 2000 werd de hoeve verkocht aan Dhr. Driessen die de hele hoeve, inclusief bowlingcentrum renoveerde en er Bowling & Partyhoeve De Aar van maakte. Zo is het bestaan van Hoeve De Aar zeker gesteld voor de toekomst.

Bronnen: Rijckheyt & Het land van herle

Zwembad Terworm

In 1917 had baron Frans de Loë een rechtszaak aangespannen tegen de Oranje Nassaumijn vanwege het nagenoeg droogvallen van een aantal bronnen. Omdat hij deze zaak verloren had en er wellicht nog meer rechtszaken in het verschiet lagen, heeft de baron het landgoed aan de Oranje Nassaumijn verkocht.  De Oranje Nassaumijn wilde het landgoed graag hebben om mogelijke schadeclaims te voorkomen in verband met eventuele verzakkingen ten gevolge van mijnbouwactiviteit onder het landgoed.

    Met toestemming van mijndirectie mocht er in een gegraven vijver, die gevoed werd door een bron, vanaf 1920 op het landgoed gezwommen worden door de mijnbeambten van de Oranje Nassaumijn en hun gezinnen.

    Enkele zwemmers hebben toen het plan opgevat om een zwemvereniging op te richten. De mijndirectie was bereid om binnen de ONS ( Oranje Nassau Sport ) hieraan mee te werken. Op de ledenlijst van de Zwemvereniging Oranje Nassau (ZON) stonden bij oprichting in maart 1921 maar liefst 53 leden en 11 buitengewone leden.  Anno 2025 bestaat de vereniging nog steeds.

    De jachtopziener / boswachter dhr. Aretz, die al bij Baron Franz de Loë in dienst was en door de Oranje Nassaumijn in die functie is overgenomen werd in 1921 ook toezichthouder / badmeester van het zwembad Terworm ondanks dat hij niet kon zwemmen.

    De zwemvereniging groeide gestaag en met steun van de ON Mijnen kwamen er enkele badhokjes en een drie meter springplank, alles gemaakt in de eigen werkplaatsen.

    Naast het zwemmen en schoonspringen werd er ook vanaf 1926 aan waterpolo gedaan. Het bad was inmiddels voor iedereen toegankelijk en ging het steeds meer op een zwembad lijken. 

    Op 26 oktober 1935 werd aan de Valkenburgerweg het Sportfondsenbad geopend, zodoende kon  Z.O.N. vanaf die datum het hele jaar zwemmen.

    In de jaren dertig kreeg het zwembad zijn centraal gebouw met dakterras en werd het zwembad van beton. Het bad bestond uit drie delen: het pierenbad voor de allerkleinsten, het ondiepe voor de beginners en het diepe voor de ervaren zwemmers. Waterpret was dus voor iedereen mogelijk en toegankelijk. 

    Ook op Terworm was er een scheiding tussen mannen en vrouwen, zowel in als buiten het water. Het linker gedeelte van het bad en de zonneweide voor de dames, hetzelfde lag ook rechts voor de heren. Kinderen mochten bij de vader of moeder aansluiten. “Katholiek Heerlen” beklaagde zich in 1935 bij de mijndirectie betreffende het voornemen gemengd baden en zwemmen in te voeren op zondagen tussen 14.00 en 18.00 uur.  Vanaf begin jaren zestig werd het gescheiden zwemmen en zonnen opgeheven. Maar er waren wel nog een aantal huisregels in het begin. Men mocht onder andere niet in bikini op het boventerras zitten, tenzij de navel bedekt was. Uiteindelijk verdween ook die huisregel. 

    Mede omdat de ZON er zijn thuisbasis had werden er in  1961 de Nederlands kampioenschappen zwemmen gehouden. Dat zette Heerlen wel op de zwemkaart.

    In 1974 sloot de laatste ON mijn en ging OGON (Onroerend Goed Oranje Nassau) zich bezighouden met de vraag: wat gaan we met het vastgoed van de ON mijnen doen?  

    Het zwembad bleef in de zomermaanden gewoon open. Vanaf 1977 werd jaarlijks nog een waterpolo “All-In” georganiseerd, gevolgd door een internationaal jubileum toernooi in 1981 vanwege het zestigjarig bestaan van de Z.O.N. Hieraan waren 24 teams uit heel Europa bij betrokken. 

    Tot groot verdriet van de Heerlenaren werd het zwembad in 1985 gesloten en viel er een gat in het zomerse bestaan. Gerrit Van der Valk heeft bij de koop van het landgoed in 1986 nog overwogen een nieuw zwembad te openen maar het is helaas bij een overweging gebleven.

      Retraitehuis Molenberg

      Een van de parels van de Molenberg is het Mgr. Schrijnenhuis, beter bekend als het retraitehuis bovenaan de “steile berg”. Vrouwen en meisjes konden in dit katholieke bezinningshuis een aantal dagen verblijven om hun gedachten op een rij te zetten en om even te ontsnappen aan de drukte van het dagelijkse bestaan.

      Het gebouw in de stijl van het “nieuwe bouwen” is een ontwerp van Frits Peutz, die met deze bouwstijl inging tegen de katholieke bouwtradities. Men vond het dan ook een heidens gebouw, iets dat Mgr. Schrijnen pareerde met de woorden: “als dit heidentje klaar is zullen wij het ook dopen”. Toch is de plattegrond opgebouwd uit een middenschip, een dwarsschip en een apsis net als bij een kerk. Bovendien beschikte het gebouw over twee kapellen, de grote kapel en de zuster kapel.

      In verband met mogelijke verzakkingen ten gevolge van mijnbouw activiteiten heeft Peutz een nastelbaar staalskelet bedacht en het gebouw erg licht van gewicht gemaakt door het toepassen van vliesgevels van steeltec gaas met cementpleisterwerk. Door het aanbrengen van scharnierende delen kon eventuele mijnschade worden beperkt. Ook was er een grijswater circuit, een natuurlijk ventilatiesysteem, glazen vloerdelen voor extra daglicht en vouwwanden voor flexibel ruimtegebruik. En op het dak een rond glazen torentje zoals hij dat ook op het glaspaleis zou gaan maken een paar jaar later. Na de oorlog is er aan de achterkant en rechts bijgebouwd.

      1936

      Vanaf de inwijding in juni 1933 tot aan de sluiting in 1959 hebben er ongeveer 60.000 dames gebruik gemaakt van het retraitehuis, dat overigens onder leiding stond van de zusters van de Franse congregatie “ Filles De La Sainte Vierge De La Retraite”. In 1961 werd er een filosoficum gehuisvest en in 1966 de HTP (hogeschool voor theologie en pastoraat) dat naderhand het UTP (universiteit voor theologie en pastoraat) werd. In 1999 kwam het gebouw leeg te staan en raakte het onderkomen.

      2020

      Peutz architecten B.V. was het aan de naam verplicht om het gebouw te renoveren en er zelf kantoor te houden. Er werd een multifunctioneel kantoorgebouw ingericht waar naast een behoorlijk aantal bedrijven ook AGS architekten en planners ( het moederbedrijf van Peutz architecten B.V.) hun kantoor vestigden in 2003. Uit historisch oogpunt heeft men de keuken, inclusief inrichting zo gelaten als het oorspronkelijk was en zijn er op de bovenste verdieping nog enkele originele logeerkamers.

      Het schip van het Aambos, zoals het Mgr. Schrijnenhuis ook wel eens genoemd wordt kan hopelijk nog vele decennia de parel blijven die het nu is.

      Fred’s Sofa

      Onder grote belangstelling werd op 6 januari 2018, op de hoek van de Laanderstraat en de Eikenderweg een Social Sofa onthuld. Het initiatief voor deze bank was afkomstig van wijkagent Fred Janssen zaliger. 

      In september 2017 zijn de vrijwilligers uit de wijk begonnen met het aanbrengen van de duizende mozaïeksteentjes met als resultaat een bijzonder mooie sofa. 

      Op voor- en achterzijde staan kenmerkende afbeelding voor wijk Eikenderveld.

      Een “Poeffel Moeffel” (een beeldje voor een buurtbewoner die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de wijk) – Een trein (Eikenderveld werd oorspronkelijk gebouwd voor spoorwegpersoneel) – De Sint Franciscus van Assisi Kerk – De moskee – De school – Een eik (waar de wijk z’n naam aan te danken heeft) – Kasteel Terworm – Het buurtpunt Markieshuis en een zonnebloem die symbool staat voor de vele activiteiten van de vrijwilligersvereniging.

      Fred’s sofa is niet de enige Social Sofa in Heerlen. Op initiatief van de stichting “Vrouwen laten Heerlen glimlachen” werden in augustus 2013 de eerste 20 Heerlense bankjes gepresenteerd. Ieder bankje met zijn eigen verhaal en allemaal handwerk …………..

      Het Social Sofa idee is afkomstig van de Tilburgse Karin Bruers. Karin wilde om de sociale saamhorigheid te vergroten, ontmoetingsplekken maken waar men net als vroeger ongedwongen bij elkaar kon komen om even met elkaar te praten.

      De houten bankjes met deze sociale functie worden steeds vaker weggehaald omdat ze kapot zijn (gemaakt) of omdat het hangplekken zijn voor jongeren die overlast bezorgen.

      De banken moesten dus “hufterproof” zijn en toch goed uitzien, ze moesten uitnodigend zijn en het straatbeeld verfraaien. De Social Sofa, model chaise longue is van beton en weegt 1650 Kg, heeft een lengte van 224 cm en is handmatig van een mozaïek voorzien.

      Karin’s ambitieus voornemen was het om duizend sofa’s in en om Tilburg te plaatsen. De eerste 23 “benkskes” werden in september 2006 in Tilburg door de burgemeester onthuld. Daarna kwamen er overal in het land Social Sofa’s te staan, zelfs in het buitenland kom je ze tegen, ieder bankje een eigen verhaal en hand gemozaïekt. In 2013 is het duizendste bankje gemaakt en werd het als 250ste Tilburgse bankje onthuld op de plek waar ook de eerste 23 waren onthuld.

      De saamhorigheid en het sociale contact in de wijk Eikenderveld is mede dankzij het initiatief van wijkagent Fred Janssen enorm verbeterd.