Hoeve De Rousch

De Rousch aan de Kloosterkensweg 17 in Welten is een Rijksmonument 21267

In 1381 werd Reinier van den Esschen beleend met het leengoed hoeve De Rousch en in 1389 werd dat Reinier van den Nieuwenborch.
Het pand heette in die tijd “Wildenbroeck” en later Hoeve De Rousch. De naam is ontleend aan het ruisende water van de Geleenbeek en de ruisende bladeren van de hoge bomen.

In 1537 was dit leengoed van Johan van Benzenraadt.  In 1548 werd het, door te trouwen met Elisabeth van Benzenrade, eigendom van Jan van Swartsenberg. Het bleef meer dan honderd jaar eigendom van deze familie.
Aan het einde 18e eeuw werd het bezit bij de Familie Veugen en in het begin van de 19e eeuw was de familie Nijpels de eigenares.

In 1963 werd de hoeve met de grond verkocht aan de gemeente Heerlen, tot dan toe was het een agrarisch bedrijf geweest. De gemeente bouwde op het land de autosnelweg, de psychiatrische inrichting Welterhof en het Wever ziekenhuis.

De hoeve zelf werd daarna weer verkocht aan Charlotte en Giel Beckers die in 1965 restaurant en evenementenlocatie Auberge De Rousch openden en in de jaren 70 was er op diezelfde locatie ook nog manege De Rousch.

Tegen de schilderachtige hoeve uit 1859 werd in 1998 een wintertuin en het aluminium paviljoen gebouwd naar een ontwerp van Teeken Beckers Architecten BV en in december 2019 kocht familie Beckers  de voormalige “Zusterflat” uit 1956  aan de Henri Dunantstraat 1. waar, na een ingrijpend verbouwing, in januari 2021 Hotel de Rousch werd geopend.

Hitjesvijver

Vredig graasden de “gepensioneerde pitpony’s” (mijnpaarden) in de voormalige, met bronwater volgelopen zand- en grindgroeve van de familie Mertens. Deze Shetlandpony’s hadden in de steenkoolmijnen de kolenwagens voortgetrokken.  Dit sterke paardenras was oorspronkelijk afkomstig van Shetland, deze eilandengroep werd vroeger in Nederland Hitland genoemd en de paarden noemde men daarom Hitjes.

Op zaterdag 10 juni 1933 werd het natuurbad “De Hitjesvijver” van Dhr. F. Th. Voncken, op Heerlerheide officieel geopend.  Bij de zwemvijver, gelegen aan de Kampstraat, stond een houten woonhuis met café en terras. Vanwege de drie schichten in de opliggende mijnen draaide het café zomer en winter op volle toeren en was het 20/7 geopend, slechts vier uurtjes per dag was de deur op slot. Mijnwerkers kwamen na het werk rechtstreeks naar het café voor onder andere tabak, Kwatta-chocolade of een borrel.

Vanaf 1935 exploiteerde Jan Rutten en zijn echtgenote Lisa Mertens de zwemvijver van Dhr. F. Th. Voncken om deze in 1938 volledig over te nemen.

Schoolklassen konden gratis gebruik maken van de douches (gesubsidieerd) en onder druk van de Katholieke kerk moesten mannen en vrouwen gescheiden zwemmen. Dat had een positieve uitwerking op de omzet van het café want de regel was dat er afwisselend twee uur gezwommen mocht worden. 

Toen Rutten het toestond dat er gemengd werd gezwommen werd hij voor de rechter gedaagd en werd hij, na herhaaldelijk in hoger beroep te zijn gegaan, door het hoge gerechtshof in s’ Hertogenbosch in het gelijk gesteld. Heerlen was de eerste plaats in Limburg waar gemengd zwemmen werd toegestaan.

Twee gediplomeerde badmeesters (de tweeling Boonen) hielden de zwemmers in de gaten, iets dat op warme dagen geen overbodige luxe was. Bovendien gaven de badmeesters zwemlessen en werden er ieder seizoen meer dan 100 zwemdiploma uitgereikt. Ondanks dat hebben er ook een paar drama’s plaatsgevonden, zo is er in augustus 1939 een 14 jarig meisje verdronken en op 31 juli 1943  een 24 jarige mijnwerker.

In 1941 werd het zwembad gemoderniseerd met wasgelegenheden en douches,  een aflopende diepte tot 2,75 meter en een kinderbad dat middels een muur gescheiden was van het grote bad. Niet alleen de vijver zelf maar ook de omliggende paden en het terrein werden aangepakt. (Het was toen nog een natuurbad).

In de Tweede Wereldoorlog werd de Hitjesvijver door de Duitsers bezet  en maakte Lisa van de nood een deugd door haar waren aan de Duitsers te slijten voor Reichsmarken.  De soldaten konden zich wassen bij de douches en namen ook weleens een duik in het zwembad. In 1944 deden de Amerikaanse geallieerden precies hetzelfde.

Ook de  waterkwaliteit werd nauwlettend in de gaten gehouden, vooral als het zwembad druk bezocht werd. Als de waterkwaliteit niet goed was, werd het zwembad gesloten totdat het euvel verholpen was. In het ergste geval werd het bad leeggepompt door de brandweer om vervolgens weer met helder, steenkoud bronwater gevuld te worden.

In 1958 maakte Jan Rutten er een echt zwembad van met een diep en ondiep bad en apart kinderbad, met betonnen wanden en een aflopende betonnen vloer.  Het houten café en woonhuis werden vervangen door stenen gebouw en de ingang kwam aan de Willem Barentszweg te liggen. De opening op 16 mei 1959 werd groots gevierd met een receptie in het restaurant en de Koninklijke fanfare St. Joseph van Heerlerheide zorgde voor de muzikale omlijsting  De jaarlijkse opening van het zwemseizoen werd nooit op 10 mei gevierd. “Dat is de dag dat de Preuse binnenvielen, dat is geen feestdag”, aldus Jan Rutten.

Bij de Hitjesvijver werden ook feest- en dansavonden, recepties, vergaderingen en koffietafels gehouden. In 1934 werd er al een zwemclub opgericht en in de jaren zestig was het de thuisbasis van  een zwem- en polovereniging. De Modelscheepsbouw Vereniging De Hitjesvijver hield er in de jaren tachtig bijeenkomsten en demonstraties, net zoals de politiehonden bond E.Z.L.B dat in 1939 deed.

In de jaren zeventig is het bedrijf overgenomen door dochter Maria en haar man Ger Niemant. Zij maakten toen al kamperen in de weilanden mogelijk. Vanwege de enorme concurrentie van gesubsidieerde zwembaden werd zwembad de Hitjesvijver in 1978 gesloten en werd het terrein ingericht als een camping. Anno 2026 heeft Camping De Hitjesvijver staanplaatsen voor tenten, caravans en campers, chalets en heet het café,  Brasserie 1910 (het geboortejaar van Jan Rutten). Een klein zwembad voor de campinggasten is gebleven.

Eropuit in Heerlen

Overzicht 2026

Lucius en Amaka

Op 14 juni 2025 was de grote dag, na 19 eeuwen kwam de droom van Lucius uit: hij trouwde met zijn geliefde  Amaka. Voordat reuzin Amaka ingeschreven werd in het stadsregister werd zij door deken Bouman op het Van Grunsvenplein gezegend samen met alle andere aanwezige reuzen en reuzinnen om vervolgens, door burgemeester Roel Wever persoonlijk, voor het raadhuis aan de Geleenstraat ingeschreven te worden in het stadsregister van Heerlen. Ook de “pleegvader” van Lucius en Amaka, de voorzitter van het Collegium Stadsreus Lucius, John Bour zette zijn handtekening op het inschrijfformulier. Daarna trok een stoet van tachtig reuze gasten aan het verloofde stel voorbij om zich op het Pancratiusplein op te stellen voor de huwelijksceremonie. Uiteraard waren er ook twee getuigen aanwezig, te weten reuzin Gerarda uit Geraadsbergen en stadsreus Gigantius* uit Maastricht.Als bijzondere ambtenaar van de burgerlijke stand heeft wethouder Jordy Clemens, Amaka en Lucius in de echt verbonden, waarna de huwelijksklokken van de Sint Pancratiuskerk geluid werden.

De eerste reuzenpoppen werden al in de late 12e eeuw in religieuze optochten in Spanje meegevoerd. Ze moesten bijbelverhalen aanschouwelijk maken voor de veelal ongeletterde bevolking. Het fenomeen verspreidde zich vervolgens door heel Europa. Vanaf de vijftiende eeuw zien we ook mythologische reuzen zoals Hercules en lokale figuren en fabeldieren in optochten zoals bijvoorbeeld het Ros Beiaard (België). De reuzen Lucius en Amaka zijn typische Heerlense reuzen.

In 1971 werden bij een archeologische opgraving aan de Putgraaf de resten gevonden van een Romeinse pottenbakkersoven. In de oven die geëxplodeerd bleek te zijn vond men o.a. de resten van een kruik. Toen deze resten jaren later onderzocht werden bleek er een inscriptie op de kruik te zijn aangebracht.

De inscriptie luidt, vrij vertaald vanuit het latijn, als volgt:

Lucius Ferenius heeft voor Amaka deze kruik ge­maakt.

Lucius wijdt (deze kruik) aan de goede god van Fere(s)ne(?) zijn geboorteplaats

Lucius genaamd Metcius maakte deze (kruik) in zijn bedrijf.

Ook het latijnse alfabet was in de kruik gekrast (de letter i was Lucius echter vergeten)

Uit de naam Lucius Ferenius is af te leiden dat het om een inheems persoon gaat. Romeinse burgers hadden namelijk drie namen. Ferenius geeft aan dat zijn geboorteplaats Feresne was (Dilsen, Belgie). Ook Amaka was inheems.Metcius was de naam die hij had in zijn geboortedorp. Dat Lucius Latijn kon schrijven is opmerkelijk te noemen voor een pottenbakker en de inscriptie en de wijding aan de god van Feresne maakten de kruik magisch. Misschien was de kruik wel als offer bedoeld opdat Amaka verliefd zou worden op Lucius. Aan de vorm van de kruik is af te leiden dat die gemaakt is tussen 125 en 150 na Chr. Lucius Ferenius en Amaka zijn daarmee de oudste bewoners van Coriovallum waarvan de naam bekend is.

Tijdens de reuzenoptocht van 1978 in Maastricht kwam beeldend kunstenaar  Hubert Bour (1941 – 2017) uit het Heerlense Eikenderveld, op het idee dat ook Heerlen een stadsreus moest hebben. In 1980 vroeg Dhr Bour bij de gemeente subsidie aan voor het maken van een reus, maar dat werd helaas afgewezen. Het idee bleef sluimerend op de spreekwoordelijke plank liggen totdat Dhr. Bour het plan in 1996 met eigen middelen realiseerde. De reus die hij maakte stelde de Romeins pottenbakker Lucius Ferenius Metcius voor. Hij werd in 1997 officieel in het stadsregister van Heerlen ingeschreven.

Daar was hij dan: een reus van vijf meter dertig hoog met de kruik, met de in het Latijn ingekraste liefdesverklaring in zijn rechterhand.  De kop van de reus werd uitgevoerd in piepschuim waarop een laag modelleerklei werd aangebracht met daar overheen een coating. De kop wordt gedragen door een stalen frame en staat op wielen. Over het frame hangt een Romeinse toga.

Na het overlijden van Hubert Bour in 2017 bleef de reus verweesd in Eikenderveld achter. Op 11 mei 2019, aan het einde van de Romeinse week, werd Lucius, door de weduwe Riet Bour Doveren, op feestelijke wijze overgedragen aan het Thermenmuseum (nu Romeins Museum) en begon er een nieuw hoofdstuk in zijn reuze leven. Weduwe Bour vroeg twee oud-leden, van de stichting Collegium Stadsreus Lucius, Paul Geelen en John Bour, om een doorstart te maken. Die doorstart lukte en Lucius werd een graag geziene gast bij reuzeoptochten in binnen- en buitenland.

Maar daarmee is het verhaal nog niet klaar, zult u als goed oplettende lezer opmerken. De toegewijde vrijwilligersgroep wilde meer, ze wilden om het plaatje compleet te maken nog een tweede pop, de reuzin Amaka.

Amaka (haar hoofd en handen) is gemaakt door kunstenaar Cyriel Laudy, het schilderwerk is gedaan door Mareike de Wit. Zoals jullie al hebben kunnen lezen is zij op 14 juni 2025, op haar trouwdag, onthuld en gezegend en daarmee is de droom van Lucius waarheid geworden.

*  Gigantius dateert oorspronkelijk uit 1550 als Karel V, zijn zoon Philips II tijdens de “byde incomste” aan de stad Maastricht voorstelde. Bij de stadspoort staat een reuzenpop , een germaanse krijger,  die het volk van Maastricht moet voorstellen met aan de riem twee zakjes met twee kleine poppen die de machthebbers voorstellen te weten de prins-bisschop van luik en de Hertog van Brabant (Karel V). Het volk heeft de machthebbers in de zak; de macht is aan het volk.

In 1968 toen dit stukje geschiedenis bekend werd, is de reus Gigantius nieuw leven ingeblazen en in 1977 ingeschreven in het stadsregister van Maastricht.

Kasteel Terworm

Riddergeslacht Van Geitsbach- zu der Worm (men had ook gronden langs het riviertje de Worm)  liet halverwege de 14e eeuw een door een gracht omgeven versterkt woonhuis bouwen op een leengoed van de aartsbisschop van Keulen en viel als leen onder de Keur-Keulse Mankamer te Heerlen.

Het kasteel dat vroeger bekend stond onder de naam Geitsbach (betekent: snel stromende beek), wordt tegenwoordig Terworm genoemd. (Zu der Worm verbasterde tot Ter-Worm). Het was een rechthoekig kasteel met een ronde en een rechthoekige toren en een ommuurde binnenplaats, opgetrokken uit kunradersteen.

Het kasteel had een meer representatieve dan defensieve functie. Anders hadden de torens niet aan de minst bedreigde kant gestaan. De binnenplaats kon makkelijk vanaf een naastgelegen heuvel beschoten worden.

Het kasteel is in 1542 door brand verwoest, in 1550 herbouwd in dezelfde stijl, echter wel met een zadeldak tussen twee trapgevels.  Alleen de eerste vier meter van het kasteel bleven in het oorspronkelijke mergel en kunradersteen bestaan.  De herbouw, uitgevoerd door de familie Van Wijlre, geschiedde in baksteen en om het verschil tussen de mergel en de baksteen te verhullen werd het gebouw wit geschilderd. 

Begin achttiende eeuw moderniseerde deze familie eveneens de meeste bijgebouwen door deze grotendeels uit vakwerk opgetrokken bouwwerken te verstenen. Aan de binnenplaats zijn de jaartankers van 1670 te zien. De westvleugel is volgens de jaarankers in 1716 gebouwd of verbouwd en de zuidvleugel in 1718. 

De vernieuwde noordvleugel bezit een wapensteen met opschrift 1621 en de wapens van Hendrik von Beulardt zu Beulaerdtstein X Van Eynatten Reymersdal. Deze steen is afkomstig van kasteel Eyckholt dat in 1760 is afgebroken.

In 1738 komt het kasteel in handen van het geslacht van der Heyden genaamd Belderbusch. 

  • Vincent van der Heyden Belderbusch (1690 – 1771)
  • Maximiliaan van der Heyden Belderbusch (1717 – 1776)
  • Karel Leopold van der Heyden Belderbusch (1749 – 1826)

In 1767 liet Maximiliaan Willem van der Heyden genaamd Belderbusch het kasteel verbouwen. De hardstenen raamomlijsting worden aangebracht en de brug aan de oostzijde van het kasteel wordt gemaakt. Ook de Franse siertuin werd toen aangelegd naar een ontwerp van L. Fuchs uit Brussel. 

Door vererving en uitkoop werd Charles van Böselager  (de achterneef van Karel Leopold van der Heijden genaamd Bösenjager (1749 – 1826) in 1826 de nieuwe eigenaar. Het kasteel en de goederen werden aan zijn dochter Antonia overgedragen.  In 1846 trouwde zij met baron Otto de Loë – Imstenraedt, burgemeester van Mheer en woonachtig op het kasteel Mheer. Na haar overlijden in 1847 kwam Terworm geheel in handen van de familie de Loë. Het was ook deze tijd waarin nog goederen en boerderijen in de omgeving aangekocht werden. 

Baron Franz de Loë, zoon uit Otto`s uit tweede huwelijk ging in 1883 op kasteel Terworm wonen terwijl zijn andere broer op kasteel Mheer woonachtig bleef. Na een erfenis in 1890 liet Baron Franz de Loë Terworm verbouwen tot een herenhuis waarbij het merendeels zijn huidige neogotische vorm verkreeg. Architect L. de Fisenne. 

Die naam Fisenne kwam voor het eerst boven water tijdens de laatste restauratie. Een ingemetselde fles werd gevonden met daarin een handgeschreven perkament met gegevens over de toenmalige bouw en de naam van de architect. 

De trapgevels werden opnieuw aangebracht en het kasteel werd beklampt met baksteen aan de buitenkant. Aan de zuidkant van het kasteel werd een arkeltorentje gemaakt en de brug tussen het kasteel en de tuin werd vernieuwd.

Na het overlijden van zijn echtgenote in 1902 ging baron Franz in Bonn wonen. Hierna werd het kasteel enkele jaren verhuurd aan de Staatsmijnen en deels ook aan de familie De Fürstenberg.

De eerste directeur van de staatsmijnen, Henri Johan Eduard Wenckebach, resideerde in Kasteel TerWorm. Het kasteel was slechts te bereiken via een landweg en de postdienst bleef beperkt tot één bestelling per dag. Opvolger, directeur generaal van de staatsmijnen Mr. Dr. W.F.J. Frowein (1908 – 1942) bestuurde de staatsmijnen vanuit het centrum van Heerlen, vanuit de “boerderij”. 

Na de Tweede Wereldoorlog verpauperde het kasteel door gebrek aan onderhoud en door mijnschade. Ook het landgoed raakte in verval.

Renovatie kasteel

In november 1986 kocht Gerrit Van der Valk het kasteel en een deel van het landgoed.

In het najaar van 1997 startte de renovatie waarbij het gehele kasteel en de voorburcht onderhanden werden genomen.

Uiteindelijk opende het hotel- restaurant Van der Valk Kasteel Terworm op 15 juli 1999 haar deuren. 

Bij de renovatie van het kasteel is geprobeerd zoveel mogelijk van het hoofdgebouw en de bijgebouwen in de oude staat te laten. Maar waar nieuw is gebouwd, is dat met opzet ook duidelijk te zien. Het nieuwe gaat hier samen met het oude. Aan de noordzijde is het arkeltorentje aangebracht dat al in 1890 gepland was maar nooit is uitgevoerd.

De restauratiekosten werden betaald door het Van der Valk concern       (8 miljoen van de totaal 15,5 miljoen gulden), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het ministerie, de provincie Limburg, de Gemeente Heerlen en de stichting Limburgse Kastelen. 

Het kasteel was vervallen en dreigde letterlijk uit elkaar te vallen omdat het precies op een breuklijn staat (Heerlerheidebreuk). 

Men heeft daarom onder het kasteel een gewapende betonnen plaat gemaakt waar het kasteel nu als het ware opstaat.

Heerlerheidebreuk is ongeveer 25 centimeter breed en heeft een verschuiving van ongeveer 20 meter. De Feldbissbreuk heeft een breedte van 80 tot 200 meter en een verschuiving van ongeveer 400 meter.

Vloeren werden opgehoogd, trappen herlegt, daken en gevels hersteld en vernieuwd, de tussengracht weer uitgegraven. De torenkamer verbouwd tot een schitterende suite. Sporen uit het verleden combineren hier met de hedendaagse luxe en comfort. 

Dertig kamers in de pachthof, tien kamers in het kasteel. 

Niet één kamer is hetzelfde. Zeer bijzonder zijn de Torensuites en de Poortwachtersuite, gelegen boven de toegangspoort. Opmerkelijk is zonder meer het ‘Torentje van TerWorm’. Een schitterende ronde kamer, die uitnodigt tot ‘ronde tafel gesprekken’. Naast deze sfeervolle kamers bevindt zich in het kasteel de receptie, bar, bistro en het restaurant. Een bezoek aan hotel-restaurant Kasteel TerWorm staat garant voor allure en niveau.

Keur-Keulse Mankamer

Het Feodale stelsel

Een leenheer gaf een leen in bruikleen aan een leenman, die het weer, in delen, in bruikleen kon geven aan achterleenmannen Zo een leengoed bestond uit onroerende goederen.

  • Hij moest trouw zweren aan de koning;
  • Hij moest zijn gebied besturen en er recht-spreken;
  • Hij moest jaarlijks belasting aan de koning betalen;
  • Als er oorlog was in het Rijk, moest hij met zijn eigen soldaten meevechten in het leger van de koning.

Van ongeveer 500 tot 1500 nC werd het leenstelsel gebruikt

Leenheren in deze omgeving waren:

  • Aartsbisdom Keulen

De Keur-Keulse Mankamer

Sinds de 12e eeuw beschikten de aartsbisschoppen van Keulen over leengoed in het Land van Valkenburg, langs de Worm en in het Land van Ter Heyden (onder Horbach). Vanaf de vijftiende eeuw werd de registratie van een zestigtal leengoederen geregeld door de Keur-keulse Mankamer.

De mankamer had een administratieve taak maar hield zich onder andere bezig met verheffingen (Onder leenverheffing verstond men het afleggen van de eed van trouw en hulde aan de leenheer) en rechtspraak bij onderlinge geschillen. De Keur-Keulse Mankamer werd in 1518 pas voor het eerst in de archieven genoemd.

Vergaderingen vonden plaats in het Manhuis (Mannes in de volksmond) in de Dorpsstraat te Heerlen (later Emmastraat, nu Pancratiusstraat). 

Het manhuis was als het ware een boerderijachtig woonhuis waar vergaderd kon worden. Het Manhuis werd in 1870 door brand verwoest en is niet herbouwd.

Franse school

Het is al meer dan honderd jaar geleden en toch zijn er nog steeds mensen in GMS(H) die weten wat de Franse school was. Voor de mensen die het niet meer weten of nooit geweten hebben volgt hier een korte uitleg. 

Vlak voor, maar ook tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) vluchtte Belgische en Franse militairen naar het neutrale Nederland. Daar werden zij ontwapend en opgesloten in interneringskampen. Dat opsluiten was noodzakelijk om de neutraliteit van Nederland te waarborgen. De militairen werden tewerkgesteld.

Naast kampen voor militairen waren er ook kampen voor burgergezinnen.  Om de kinderen van onderwijs te voorzien werden er twee Belgische en een Franse school gesticht in Heerlen. Een Belgische school voor jongens en een Belgische school voor meisjes. Beide scholen lagen aan de Sittarderweg en hadden gemiddeld 125 leerlingen en 4 leraren.

De Franse school lag aan de Huskensweg 44 en had 35 leerlingen en 2 leraren. De school was dus gewoon in een woonhuis gevestigd.

De Oranje Nassaumijn, waar de geïnterneerden te werk werden gesteld  zorgde voor de inrichting van de scholen en verstrekte gratis brandstof.

Onder de foto staat “Ecole Française O.N.I.  Huskensweg Heerlen” Het gebouw is echter een villa aan de Sittarderweg die ook directeursvilla is geweest voor de directeur van de Oranje Nassau mijn. Waren daar misschien de twee Belgische scholen gevestigd? 

De Morgester

Hoeve de Morgenster is gebouwd in 1868 en was een afsplitsing van kasteelboerderij Prickenis, het lag dan ook aan de toegangsweg naar Prickenis. In 1974/75 is de boerderij afgebroken. De hoeven lag een dikke 100 meter rechts naast de plek waar anno 2025  de Gamma staat in de Cramer. De toegangsweg naar Prickenis is er nog steeds. 

Op de plaats waar het Limburgs dagblad lag, stond de kolonie de Morgenster bestaande uit 24 woningen bestemd voor mijnwerkers. Gebouwd in 1917, eerste bewoners januari 1918 en weer afgebroken in 1962.

Hoeve Ten Esschen

Hoeve ten Esschen is in 1975 afgebroken. Door het verleggen van de autosnelweg kwam de hoeve in het gedrang, verviel en werd uiteindelijk afgebroken. De hoeve lag op de plek waar anno 2025 de parkeerplaats van Basic Fit is (Ten Esschen 100).

In de 14e eeuw wordt Reyner van den Esschen als leenman genoemd  en in 1519 Lens van Esschen.  Heyntgen Ubachs, geboren rond 1535, gehuwd met Lysken van den Esschen, komt samen met zijn broers en zussen op 1 augustus 1559 in het bezit van het leengoed Ten Esschen met bijbehorende weilanden en landerijen. 

De familie Ubachs had familiebanden met het riddergeslacht Van Retersbeek, de latere graven van Schaesberg afkomstig van het nabijgelegen kasteel Retersbeek. Vele telgen uit dit geslacht zouden in de nakomende eeuwen schepen zijn in de schepenbank Heerlen. 

Hoeve Rotan Rentenaar – Ten Esschen 26 is NIET hoeve Ten Esschen! De hoeve uit de 19e eeuw wordt hoeve Rotan-Rentenaar genoemd omdat dat de naam van het bedrijf was dat er gevestigd was. Het bedrijf leverde  tafels en stoelen van Rotan, dat in de wederopbouwperiode populair was.

Ten Esschen hoorde tot aan de gemeentelijke herindeling van 1982 bij de gemeente Voerendaal.