Het riddergoed Eykholt was een leengoed van het aartsbisdom Keulen en bestond uit Kasteel Eyckholt, ook wel Eijckholt of Oude Eijkert genoemd, met bijbehorende hoeve en watermolen (Eikendermolen).
Een riddergoed is de bezitting van een ridder, bestaande uit landerijen, een hoeve, en vaak een versterkte woning (zoals een kasteel, burcht, of landhuis) die diende als residentie en centrum van waaruit de ridder zijn land beheerste en verdedigde in de middeleeuwen, en waar hij inkomsten uit haalde. Prins – Hertog – Markies – Graaf – Burggraaf – Baron – Ridder
In een akte uit 1385 wordt het kasteel voor het eerst vermeld als eigendom van
Ridder Gerard van den Eycholtz (familie Van der Lynden)
Tot tweede helft van de 15e eeuw – Zoon van ridder Gerard van den Eycholtz met dezelfde naam.
Tot 1607 – Vermoedelijk familie van Strijthagen
Van 1607 tot 1750 de volgende eigenaren:
Maria van Eynatten getrouwt met
Hendrik von Beulart zu Beulartstein
Maria Magdalena von Beulart getrouwt met
Johan Herman baron van Holthausen
Familie van Holthausen
Van 1750 tot 1760 – Graaf Van der Heyden genaamd Belderbusch (Eigenaar van kasteel Terworm)
In 1760 is het kasteel afgebroken.
In 1917 wordt landgoed Terworm verkocht aan de Oranje Nassau Mijnen
Hoeve Eyckholt
In 1736 brandde de kasteelhoeve en bijbehorende schuur volledig af. Het kasteel, dat inmiddels onbewoond was, werd na de brand als opslagruimte voor gewassen gebruikt. Er werd een nieuwe kasteelhoeve gebouwd maar het kasteel liet men verder vervallen totdat het in 1760 werd gesloopt. Er is nog slechts een ruïne over. De nieuwe hoeve (nieuw Eyckholt) werd in 1925 afgebroken.
Eikendermolen
De in 1385 voor het eerst vermelde Eikendermolen (Eyckholtermolen of Eyckendermolen) was een watermolen aan de Geleenbeek en lag tussen de Weltermolen en de oliemolen van Weustenrade. Het water van de beek en het water van diverse bronnen werd gebruikt voor het vullen van de stuwvijver en het bevloeien van het land, daarvoor waren er drie sluizen aangelegd.
Omdat de mijnen te veel grondwater uit de bronnen gebruikten, werd de hoeveelheid water in de beek te gering om de stuwvijver gevuld te houden en is de molen na veel geruzie in 1920 stilgelegd en is de molentak van de beek gedempt.
De molenas en-installatie in de kelder werd in goede staat bewaard. Hierdoor was het in 1970/75 mogelijk het hele molen instrumentarium te hergebruik in de Volmolen van Epen.
Op het landgoed wordt 90 hectare natuurgebied (loofbossen, bloemrijke graslanden, een moerasgebied, hooggelegen akkers) beheerd door Natuurmonumenten.
In de tweede helft van de jaren negentig werd het landgoed heringericht naar een ontwerp van landschapsarchitect Ben Taken, hij maakte een plan waarin oude landschapselementen zoals hoogstamboomgaarden, houtwallen en meidoornhagen terugkwamen. De Geleenbeek mag weer vrij meanderen.
De grote verscheidenheid aan planten trekt veel verschillende vlindersoorten aan en ook zijn er vele vogelsoorten vertegenwoordigd.
Zelfs de bijzondere zeggekorfslak voelt zich hier thuis net als das en ree.
Geleenbeek
De 37 km lange Geleenbeek, oorspronkelijk Geleen genoemd (afgeleid van de Latijnse naam Glana dat “heldere beek” betekent), ontspringt in de kelders van de Benzenraderhof te Benzenrade (NAP +120 meter) en mondt uit in de Oude Maas bij Stevensweert (NAP + 27 meter)..
De beek is in de jaren 50 van de 20e eeuw helemaal gekanaliseerd. Project Corio Glana geeft, sinds 2014, de beek weer de ruimte om te meanderen. Dat maakt de beek niet alleen aantrekkelijker voor de menselijke bezoekers maar ook het leefgebied van kikkers, salamanders, vogels, insecten en heel veel soorten planten is sterk verbeterd.
Rioolwaterzuiveringsinstallatie
Tegenover de Eyckendermolen is de ingang van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) die in 1968 in gebruik is genomen en in 2015 buiten bedrijf is gesteld.
In 2017 is dit stukje industrieel erfgoed door de gemeente Heerlen aangekocht. Het plan was om er een duurzame forellenkwekerij in te richten. Elke maand worden jonge vissen aangevoerd en volwassen exemplaren opgehaald. Het project voor de viskwekerij is onderdeel van de Internationale Bau Ausstellung (IBA).
Het concept IBA (Internationale Bau Ausstellung) is meer dan 100 jaar geleden in Duitsland ontstaan. Wat begon als een tentoonstelling voor de moderne bouw, ontwikkelde zich tot een succesvolle formule die in een regio of stad een krachtige impuls geeft aan economie, ruimte én samenleving.
De kwekerij zal gebruik maken van minimale hoeveelheden water en energie en zal naar verwachting in november 2021 operatief worden. Het oude ketelhuis en de tanks voor het gisten van slib gaan onderdak bieden aan vleermuizen en de rest van het terrein wordt natuur.
Ook komt er een moerasfilter, dat nodig is voor zuivering en hergebruik van restwater. Het pompenhuis blijft zoals het is, alleen de pompen worden vernieuwd. De bomen op het terrein blijven behouden. In eentje komt een kast voor steenuilen. Er komen 35 fruitbomen bij als voedselvoorziening voor dassen en verder worden struiken en bosplantsoen ingezaaid.
Eind 18e eeuw (1767) liet graaf Maximiliaan Van der Heyden genaamd Belderbusch (zoon van graaf Vincent Van der Heyden genaamd Belderbusch (1690-1771)) door L. Fuchs uit Brussel een tuin aanleggen in Franse rococo stijl. Aan de oostzijde van het kasteel werd een brug gemaakt om de tuin gemakkelijk bereikbaar te maken voor de kasteelbewoners. Deze brug is in 1843 geheel vernieuwd.
Rond 1825 werd er bij de tuin een Oranjerie gebouwd waarin niet winterharde planten konden overwinteren, denk aan citrusbomen (in kuip)
De fontein in het midden van de tuin werd destijds gevoed met water uit een bron. Deze bron was hoger gelegen zodat het water onder druk uit de fontein spoot. De waterleiding van de bron naar de fontein was van eikenhout gemaakt.
De tuin van weleer was door de eeuwen heen veranderd in een weiland. Restanten van de twee toegangszuilen waren de enige zichtbare sporen uit een roemrucht verleden.
Aan de hand van opgravingen en een archeologisch onderzoek vond er van 2001 tot 2003 een, op de centimeter nauwkeurige reconstructie van de tuin plaats *. Dat hiervoor zelfs de Geleenbeek weer terug naar haar oorspronkelijke stroomgebied werd verlegd is slechts een detail, maar geeft wel aan hoe groot deze klus is geweest.
Men ontdekte resten van (oude rassen) leifruitbomen, rozen, lavendel en buxus. De geleide fruitbomen stonden op het zuiden gericht tegen een bakstenen muur. De tuin werd en wordt begrensd door hagen van Gele kornoelje (Cornus mas).
De gereconstrueerde kasteeltuin is op 15 juni 2003 officieel geopend door Drs. A.B. Sakkers, burgemeester van Heerlen.
Afmetingen: tuin 94 bij 74 meter omgeven door een sloot van 4,5 meter breed en 1,60 meter diep. Oranjerie: 15,5 x 5,3 meter. Fontein met een diameter van 4,5 meter en 7,5 meter.
Het lag al een tijdje in de kast. Enkele jaren zelfs. Het mapje papieren van mijn opa Martin Simons. Alle documenten rond zijn dienstplicht zitten daarin. Een bijzonder felicitatieboekje. De officiële papieren over zijn loopbaan bij de politie. Daarnaast enkele hartelijke wensen voor een voorspoedig herstel ‘Kop op kameraad’. Wensen die niet hebben gebaat, hij was zieker dan gedacht. Er volgt een stapel condoleances. Hij stierf plotseling ongeveer even oud als ik nu ben. Men trof hem aan op het bankje in zijn volkstuintje de handen rustend op de steel van de schop die voor hem in de grond stak. Stilletjes overleden. Een rustig mens, lijkt me.
Als ik zo door de berichten van medeleven blader, concludeer ik: een bijzonder man. Maar ik weet niet veel van hem. Hij kwam niet zo ter sprake. Mijn vader sprak eigenlijk nooit over hem. Mijn oma ook niet, al heb ik veel bij haar gelogeerd. Toen ik mijn vader, aan het einde van zijn leven, nog eens naar mijn opa vroeg, vertelde hij: ‘Ik was erg onder de indruk toen mijn vader in de weken van de bevrijding van Limburg langs de Maas naar zijn geboorteplaats Well is gefietst.’ Mijn moeder zei, nog niet zolang geleden, dat oude buren hem ooit verraden hadden. Hij had zich ooit voor de bezetter verstopt. Verder weet ik alleen dat mijn opa, op de Heerlerbaan, oprichter en voorzitter was van de RK sportvereniging Marathon. Dat was meteen na de tweede Wereld Oorlog. Martin Simons wilde wat voor de gemeenschap betekenen en sport was een prima mogelijkheid om dat te doen. Het was de start van een grote vereniging die ook nu nog bestaat.
Maar in het mapje dat ik erfde zit een jaarverslag. Het Jaarverslag 1954 van de afdeling Heerlen RK Politiebond ‘st. Michael’ en daar vind ik veel meer. Enkele passages uit dit verslag: ‘Nu het verenigingsjaar 1954 achter ons ligt, komt ons daarbij voor de geest de figuur van de man, die in onze afdeling de Bond belichaamde, wijlen brigadier Simons. Aan deze eenvoudige en rechtschapen man, die de R.K. vakvereniging met hart en ziel was toegedaan, die steeds voor de belangen van alle leden moedig en onvervaard op de bres stond, jaren lang als bestuurslid en als voorzitter de motor van onze afdeling was, aan deze werkelijk grote figuur zij dit jaarverslag in eerbiedige en dankbare herinnering opgedragen.’ Als kleinzoon kreeg ik trotse blossen op de wangen. Er volgt een uitvoerige necrologie die ik hier niet zal citeren. Alleen het slot van het eerbetoon neem ik nog over: ‘In en buiten onze afdeling genoot Simons alle achting. Hij voerde op bijna alle congressen het woord; sprak ronduit en met zijn mening werd degelijk rekening gehouden. In onze afdelingen was de stuwende kracht van Simons goed merkbaar en zijn Godsvertrouwen, zijn eerlijkheid, zijn wijs inzicht en zijn echte mannelijke karaktereigenschappen maakten hem tot een ideaal organisatieman. Moge hij in vrede rusten.’
Dat van die echte mannelijke karaktereigenschappen, dat zeggen we tegenwoordig niet meer zo. Wat zijn dat eigenlijk? Het zinnetje deed me terugkijken naar een regel in zijn levensbeschrijving die in het Jaarverslag 1954 was opgenomen: ‘Na de bevrijding werd hij benoemd tot commandant van het kamp voor politieke delinquenten aan de Esschenderweg te Heerlen’. Na de trots die ik eerst had gevoeld bij al die positieve karaktertrekken, voelde ik nu toch ook enige schaamte. Over die kampen voor foute Nederlanders wordt namelijk niet altijd positief geschreven. 70 jaar geleden precies werd Limburg bevrijd, maar die kampen waren een negatieve bladzijde. Op de website Heerlen Vertelt schrijft iemand bijvoorbeeld: ‘Er was ook een kamp aan de Esschenderweg in Heerlen. Ik geloof dat het de Nationale Werkplaats heette. We konden, tezamen met de buurtbewoners, over de schutting kijken, achter de Hertogstraat. De bewakers lieten de (NSB) gevangenen in een cirkel rennen totdat ze er bij neervielen.’ Dat is het kamp van mijn opa.
Daar wil ik wat meer van weten. Want het is raar dat in mijn opa’s spullen ook een felicitatieboekje zit uit het bewaarkamp voor politieke delinquenten. Terwijl ik lees over mensonterende detentie voor deze groep mensen vlak na de oorlog, heb ik in mijn hand een boekje met 70 namen van bewoners die mijn opa op 1 maart 1945 feliciteren met zijn 25-jarig ambtsjubileum ‘uit hoogachting en waardering voor de vele goede werken door hem voor ons gedaan’.
Zoekend op Internet ontdek ik een aantal documenten. In het archief van Heerlen zijn twee mappen te vinden over het kamp aan de Esschenderweg: één map over de financiën van het kamp en één over de in – en uitgaande delinquenten; de namenlijsten. Ik wil ze graag gaan bekijken. De archivaris verleent toestemming om deze stukken, die nog niet openbaar zijn, in te zien. De namen dit ik er eventueel ga vinden, mag ik niet publiceren. Prima, ik wil ze alleen vergelijken met dat bijzondere boekje dat in het pakketje van mijn opa zit en dat aan mij is doorgegeven.
Onderweg in de trein naar Heerlen lees ik het boek van Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. De afrekening met de ‘foute’ Nederlanders. Hij beschrijft daarin hoe al in september 1944 een begin werd gemaakt met het gevangen zetten en bestraffen van Nederlanders die met de bezetter hadden samengewerkt. Vaak werden dergelijke kampen in het zuiden door het voormalige verzet ingericht, maar er waren ook plekken waar het Militair Gezag of de politie zorg droegen voor het regelen van de detentie. Over de strengheid aan de ene kant en de humaniteit aan de andere kant werd al vlug discussie gevoerd. Sommigen vonden dat je alleen goed of fout kunt zijn; en fout betekent een strenge straf. Zelfs zonder proces. Anderen maakten duidelijk dat er geen sprake kon zijn van zo’n scherpe tegenstelling. In de oorlog moeten mensen overleven. Je kunt dus ook een beetjefout zijn.
Zij vonden dat deze delinquenten allereerst verdachten waren waarvan de schuld nog bewezen moest worden. In ons bevrijde land zou humaniteit voorop moeten staan. Over deze discussie viel zelfs het kabinet, nog voordat Nederland helemaal bevrijd was. Ik hoopte dat mijn opa de humane opvatting deelde.
Daar zit ik dan, in de studiezaal van het archief. Voor mij twee mappen. Voor het eerst van mijn leven zie ik de handtekening van Martin Simons, tientallen keren. Onder nota’s en financiële overzichten en brieven staat telkens zijn krabbel als kampcommandant. In de dikste map zitten de lijsten met de namen van de mannen en vrouwen die vanaf 21 september 1944 binnenkomen aan de Esschenderweg. Vanaf oktober zitten er ruim 500 verdachten. Daarvan houdt de kampcommandant iedere dag plechtig bij wie er in of uit gaat en meldt dat aan de burgemeester van Heerlen. Bijna honderd keer zijn handtekening onder die mutatiebriefjes. En ik denk intussen: die 70 namen in dat felicitatieboekje, dat zijn vast de 10% met wie hij het goed heeft kunnen vinden. Zo zal het zijn.
Ik blader door naar februari 1945. Het kamp aan de Esschenderweg loopt leeg. Uit het boek van Romijn weet ik dat er organisatie in de bewaarkampen van het Zuiden is gekomen en dat de meeste gevangen aan het werk worden gezet; bijvoorbeeld in de mijnen van Limburg. Volgens de overzichten van mijn opa gaan ze daar naartoe. Een aantal mag al naar huis. Eind februari zijn er nog 70 mannen in het kamp aan de Esschenderweg. Precies het aantal dat mijn opa op 1 maart feliciteert, 100%.
Eigenlijk weet ik nog altijd niks en toch voelt het best goed. Na 1 maart is mijn opa kampcommandant af. Vanaf maart staat er een andere naam onder de documenten. Op 1 mei 1945, bijna bevrijd, wordt Martin Simons commandant van politiebureau Heerlerbaan. 500 meter verderop word ik 12 jaar later geboren.
Informatiebulletin “Hart van Heerlen” nr. 26 (2020) van de Heemkundevereniging Heerlen Stad
Het huidige Covid 19 of Coronavirus is niet zomaar een griepje maar heeft de vorm aangenomen van een pandemie. De impact op ons dagelijks leven en de verspreiding wordt vaak vergeleken met de Spaanse griep die in de jaren 1918-1919 heeft geheerst. Deze vergelijking maakte mij nieuwsgierig. Een reden om een kort onderzoek te doen op internet en op de website van Delpher waar je oude krantenartikelen kunt opzoeken. Het betreft geen volledig onderzoek want daarvoor is er teveel geschreven. In het bijzonder gaat het ook om de situatie in Heerlen.
De zoekopdrachten op de website van Delpher waren “spaanse griep Heerlen”, “griep Heerlen” en “spaanse griep” en dat voor artikelen in de kranten die in Heerlen werden uitgegeven. Voor 1918-1919 waren dit het Limburgs Dagblad en de Limburger Koerier. Het eerste wat mij opvalt is dat er maar een beperkt aantal artikelen in die periode zijn verschenen. Het begint in oktober 1918 en de meesten in november 1918 en na de jaarwisseling verschenen er nog maar enkele artikelen. De eerste conclusie is dat het onderwerp niet zoveel nieuwswaarde had. Misschien moet ik het anders zien. Met de huidige nieuwsgaring en televisieberichten worden we ook wel overspoeld met coronanieuws.
De naam Spaanse griep leidt nogal tot verwarring. Het griepvirus is niet in Spanje ontstaan. In de Spaanse pers werd voor het eerst van het virus bericht, omdat Spanje onafhankelijk was in de Eerste Wereldoorlog, had de Spaanse pers meer vrijheid in zijn berichtgeving.
De oorsprong van het virus is niet eenduidig. De Verenigde Staten, China, Frankrijk en Engeland worden als bakermat genoemd. Een van die theorieën gaat er vanuit dat het in Amerika is ontstaan, als variant van het vogelgriepvirus. In maart 1918 breekt een onbekend ziekteverschijnsel uit op de legerbasis Camp Funston in Fort Riley in Arkansas. Op dat moment verzamelden zich in het kamp jongemannen om uitgezonden te worden voor de oorlog in Europa. Dit is de reden dat het virus via deze militairen in Europa is gekomen. Een andere theorie noemt China waar het als een gemuteerd varkensvirus zou zijn ontstaan. De Spaanse griep is net als het huidige virus een mutatie van een dierlijk virus dat in het begin niet duidelijk werd erkend.
De verschijnselen van de Spaanse griep waren hoge koorts, hoesten, spierpijn en keelpijn. Het virus had vat op het lichaam waardoor de patiënt minder ging eten en drinken en uiteindelijk ademhalingsproblemen kreeg. Over het algemeen leidde de de vlekken in het gezicht. Bij het Covid 19 virus gaat het ziekteproces langzamer. ziekte binnen enkele dagen tot de dood. Het stadium van de ziekte werd herkend aan Een ander groot verschil met het huidige virus zijn de risicogroepen. Nu gaat het om ouderen. De Spaanse griep had vooral vat op mensen van 14-40 jaar en de sterfte was het grootste onder jongvolwassenen van 14-25 jaar. Eigenlijk de personen die het sterkste immuunsysteem hebben. Waarschijnlijk is de oorzaak hiervan dat het immuunsysteem bij deze jonge mensen te heftig reageerde (cytokinestorm), iets wat we nu ook bij sommige corona patiënten op de intensive care zien.
In september en oktober 1918 werd de ziekte nog als een griepje afgedaan. In het Limburgs Dagblad van 30-10-1918 wordt melding gemaakt dat de ziekte toch ernstiger is dan de geneesheren in eerste instantie dachten. Vanaf die datum neemt de berichtgeving in de Limburger Koerier en Limburgs Dagblad ook toe.
In tegenstelling tot nu liet de rol van de centrale overheid te wensen over en het beleid kwam hoofdzakelijk op de regionale bestuurders neer. Gezien de risicogroep zien we dat de burgemeester van Heerlen op 26-10-1918 alle openbare scholen sloot. Er is echter geen sprake van zo een lange sluitingtijd als nu, want op 18-11-1918 lezen we dat de lagere scholen en het Bernardinuscollege weer open gaan.
De medische zorg werd overbelast en het St Joseph ziekenhuis kon de ziekte- en overlijdensgevallen niet aan. Als maatregel werd de lagere school nummer I aan de Akerstraat ingericht als een noodhospitaal. In de kranten van 7 en 8 november werd er voor verplegend personeel geworven. Op 11 november ging dit noodhospitaal open met 32 bedden. Een andere maatregel is dat de overledenen binnen drie dagen moesten worden begraven. De burgemeester verzocht daarnaast de parochies meer begrafenisdiensten te houden. Qua medische zorg gaat de vergelijking wel op.
Werktuigbouwkundig ingenieur Jan Koster was een actief lid van de Lutherse kerkgemeenschap. Hij trad op zijn 25ste in dienst bij de Laura mijn en richtte in 1901 een internationaal bedrijf op voor het verrichten van mijnbouwkundige werkzaamheden. Aan de Valkenburgerweg liet hij villa Eikhold bouwen waar hij ging wonen.
Omdat er onder de mijnwerkers en mijnbeambten heel wat Duitse Lutheranen waren, kocht hij een leegstaand houten gebouw aan de Meezenbroekerweg 70 en schonk dit als kerk aan de Lutherse gemeente.
Martin Luther was een Duitse protestantse theoloog die op 31 oktober 1517 openlijk stelling nam tegen de handel in aflaten.
In 1960 is het houten gebouw vervangen door een gemetselde kerk ontworpen door architect F.H. Meijer Het is een zeer ingetogen zeshoekig kerkgebouw met een zeszijdig tentdak met daarop een zogenaamde lantaarn. Het daglicht valt binnen via hoog geplaatste ramen. Boven de vrij eenvoudige ingang is een groot reliëf aangebracht van het Chi-Rho symbool met links een alfa-teken en rechts een omega-teken.
Het Chi-Rho symbool is het Christusmonogram, het alfa-teken, is de eerste letter van het Griekse alfabet en staat voor begin. Het omega-teken is de laatste letter van het Griekse alfabet en staat voor het einde.
De kerk heeft een wit interieur en is evenals de buitenzijde zeer bescheiden ingericht. Op de binnenwanden zijn diverse Bijbelse teksten aangebracht. Bovendien bevindt zich boven de ingang een kabinetorgel uit 1765 gebouwd door Deethlof Onderhorst uit Leiden.Het orgel heeft tot 1954 in de gereformeerde kerk te Westerbork gestaan.
De Luciushof is een voormalig klooster van de Carmelitessen zusters. Deze bedelorde leefde afgesloten van de buitenwereld, ze verbouwde voedsel in de kloostertuin, maakte en hersteld zelf hun kleding, onderhielden voor zover mogelijk het klooster en waren voor de rest aangewezen op aalmoezen.
De Karmelietenorde is in de 13e eeuw gesticht met de bouw van een klooster op het Karmelgebergte in Israël. Deze berg wordt reeds in de bijbel genoemd. De naam Karmel betekent “wijngaard” en is een hebreeuwse jongensnaam. Vanaf 1400 zochten ook vrouwen aansluiten bij de Karmelorde en in 1452 werd een zusterorde gesticht. In de zestiende eeuw begon Teresa van Avila (1515-1582) een hervorming van de Karmelorde. Aan deze Teresa dankt de kapel aan de Putgraaf haar naam, de Sint Theresiakapel ook wel Carmelkapel genoemd.
Het klooster met de bijbehorende kapel is gebouwd in 1934 naar een ontwerp van architect Anton Bartels, in de stijl van de Delftse school. Het klooster heeft een sobere uitstraling in tegenstelling tot de kapel waar achter het altaar een opaline wand (een wand van gebrandschilderd glas tegen een muur) te zien is van de Amsterdamse glazenier J. Mammen (drie zussen van Mammen zaten in dit klooster), de glas in lood ramen zijn gemaakt door C. Alberdinck en pas in 1936 geplaatst.
Toen de zusters in december 1971 naar Merkelbeek verhuisden heeft de gemeente het complex gekocht met de bedoeling het af te breken om er appartementen te bouwen. Een groep Heerlenaren, verenigd in de kapelstichting, heeft zich met succes verzet tegen de sloop van de kapel (en het klooster). Nu is het complex eigendom van woningstichting Weller en de kapel van Stichting Kapel Putgraaf.
De Luciushof dankt zijn naam aan een pottenbakker uit de Romeinse tijd. In 1971 werd op de plek waar men een dubbele garage wilden bouwen een pottenbakkersoven ontdekt. Nader onderzoek wees uit dat het een oven was uit 125 – 150 nC. In de oven die geëxplodeerd bleek te zijn vond men o.a. de resten van een kruik. Op deze kruik was een inscriptie aangebracht waar heel veel uit af te leiden valt.
De inscriptie luidt, vrij vertaald vanuit het latijn, als volgt:
Lucius Ferenius heeft voor Amaka deze kruik gemaakt.
Lucius wijdt (deze kruik) aan de goede god van Fere(s)ne(?) zijn geboorteplaats
Lucius genaamd Metcius maakte deze (kruik) in zijn bedrijf.
Uit de naam Lucius Ferenius is af te leiden dat het om een inheems persoon gaat. Romeinse burgers hadden namelijk drie namen, een voornaam, een achternaam en een bijnaam.
Ferenius geeft aan dat zijn geboorteplaats Feresne was (Dilsen, Belgie). Ook Amaka was inheems en waarschijnlijk zijn vrouw. Metcius was de naam die hij had in zijn geboortedorp. Dat Lucius Latijn kon schrijven is opmerkelijk te noemen voor een pottenbakker en de inscriptie en de wijding aan de god van Feresne maakten de kruik magisch. Aan de vorm van de kruik is af te leiden dat die gemaakt is tussen 125 en 150 na Chr.
Lucius Ferenius en Amaka zijn daarmee de oudste bewoners van Coriovallum waarvan de naam bekend is.
De naam ‘De Twee Gezusters’ duidt op de twee naast elkaar gelegen kloosters, het Savelbergklooster en het Carmelitessenklooster die samen dienst doen als werkplek, woonruimte, ontmoetingsruimte, concertpodium, museum, restaurant en meer.
Anno 2022 is op de binnenplaats van de Luciushof een kruidentuin ingericht. Geïnspireerd op de kruidentuin van Broeder Aloysius (1854 1942). Broeder Aloysius was van huis uit erg geïnteresseerd in de kruidengeneeskunde en werd door Mgr. Savelberg naar pastoor Kneipp in Beieren gestuurd om zich verder te bekwamen in de kruidengeneeskunde en o.a. ook de “Kneipp-koudwaterkuur”. Voor hij in de leer ging in Duitsland kwamen er al mensen van heinde en ver om zich door de broeder te laten behandelen, maar toen hij terug was uit Duitsland werd Heerlen een echt kuuroord met gasten van over de hele wereld.
Om alle gasten te kunnen onderbrengen werd het Mannenhuis gebouwd in 1892 en Mariabad voor de vrouwelijke kuurgasten. in 1897 werd het Sanatorium St. Jozef-Heilbron als verblijf voor rijkere mannelijke kuurgasten (Huize De Berg) gebouwd.
In 1901 schreef broeder Aloysius het boek “troost der zieken” waarin veel ziektes beschreven worden en de daarbij behorende behandeling.
Door het verbeteren van de medische zorg kwam er rond 1917 een einde aan het “Kneippen”. De kruidenapotheek van broeder Aloysius is echter tot 1957 open gebleven.
Nadat in 1955 de ruïne van “Ons Volkshuis” werd afgebroken bleef er jarenlang een braakliggend terrein achter. Eind jaren vijftig ontstond het idee om een passage te maken van de Emmastraat naar de Putgraaf.
Het plaarplan zoals het werd genoemd was bedoeld als uitbreiding van het oude winkelcentrum.
Na 4 jaar plannen werd er in 1962 begonnen met de bouw van fase 1 van het plan dat door architect John M. Stuyts uit Heerlen is ontworpen.
Er werd gestart met de bouw van het appartementencomplex aan de Emmastraat (nu Pancratiusstraat genoemd).
Het gebouw, van vier verdiepingen, kenmerkt zich door de onderdoorgang en de schuine geplaatste ramen aan de voorzijde. Wat van buitenaf niet te zien is, is een besloten pleintje op de eerste verdieping, boven de doorgang waar de voordeuren van de appartementen aan liggen en waar twee muurschilderingen zijn aangebracht door James Jetlag.
De naam van dit deel van de passage is Oude Veemarktstraat
De begane grond werd door de passage in twee helften gedeeld waar winkeltjes, etalages en showrooms werden ingericht.
Aan het einde van deze passage werd een omsloten, open pleintje aangelegd dat in verbinding stond met de Plaarstraat en dat de naam Morenhoek kreeg. Het dankt zijn naam aan het feit dat hier, tijdens de Spaanse bezetting (1580 – 1610), een begraafplaats was voor Moren. De Moren waren moslims van Arabische afkomst die in dienst waren bij het Spaanse leger.
Anno 2024 wordt de passage ook wel de Creative Corridor genoemd waar creatieve ondernemers gevestigd zijn en is de Morenhoek een gezellig plein waar regelmatig evenementen georganiseerd worden.
————————————————————————-
In de tweede helft van 1964 is de Meubelhal aan de Putgraaf tussen Meulenberg en het Carmelitessenklooster afgebroken om plaats te maken voor het nieuw te bouwen hoofdgebouw van de passage, waarin 9 appartementen (3 etages) werden gerealiseerd. Ook dit deel van de passage had links en rechts winkeltjes en leidde naar de Plaarstraat.
Zo ontstond er een passage van de Putgraaf via de Putgraaf-Passage, Plaarstraat, Morenhoek en Oude Veemarktstraat naar de Emmastraat.
Ook het Passage-theater in Putgraaf-Passage is door dezelfde architect ontworpen. Deze bioscoop met 378 zitplaatsen werd in 1984 gesloten.
Dit deel van de passage is afgebroken voor de bouw van een parkeergarage in 2003.