Antonia, Karel, Clara, Sophia en Rosamunde waren de namen van de artesische bronnen die Charles van Böselager tussen 1842 en 1844 heeft laten boren om het landgoed van water te voorzien zoals o.a. de watervoorziening van de Eikendermolen. Deze bronnen lagen tussen Geleenhof en het kasteel.
Door de komst van de mijnindustrie kwamen deze bronnen nagenoeg droog te staan. Baron Frans (Levin Eugen Hubert Maria) de Loë liet een gerechtelijke procedure starten waarin de Oranje Nassau Mijn aansprakelijk werd gesteld. De rechter gaf echter aan dat de schuld van het droogstaan niet direct aan de mijn te wijten was.
Om nog meer problemen en rechtszaken te voorkomen verkocht de baron het landgoed op 31 mei 1917 aan de Oranje Nassau Mijn.
In de voorburcht woonden destijds mijnopzichters, kunstenaars en de boswachter/jachtopziener Dhr Aretz.
Bij de verkoop waren o.a. de volgende pachthoeven betrokken:
Pachthoeve Driesch van Andreas Wintgens, groot 30,6902 ha
Pachthoeve Gitsbach van Pierre Vaessen, groot 46,2743 ha
Pachthoeve Geleenhof van A. en G. Rouwette, groot 44,0694 ha
Pachthoeve Douvenraad van Gilles Waterval, groot 33,9607 ha
Pachthoeve Terworm van Mathieu Rutten, groot 42,4855 ha
Pachthoeve Prikkenis van Aug. Pinckaers, groot 14,6534 ha
Pachthoeve Eykender van Wed. W. Paulussen, groot 4,1907 ha
De totale oppervlakte kwam uit op 254 hectare.
Add a Comment